Bruder Klaus Feldkapelle

Een kapel voor een heilige door een ‘heilige’

Resonantie, dat is waar het om gaat in het leven. Althans dat vindt de onthaastingsgoeroe Hartmut Rosa. De Duitse socioloog ziet het als de tegenhanger van vervreemding; het gevoel dat niets meer je wat doet. Die resonantie ervaar je het beste in kunst, natuur en religie.

Een kleine ruimte om stil in te zijn
Bruder Klaus Feldkapelle (ingang)Mechernich-Wachendorf, een boerengehucht aan de rand van de Duitse Eifel. Dit is de plek waar kunst en religie is verenigd in de eeuwige schoonheid van een graanveld.
‘Bruder Klaus Feldkapelle’ zegt een klein wit bordje aan de rand van een parkeerplaats. Tien à vijftien auto’s staan in de hoek waar een wandelpad begint. In de verte doemt een zandkleurige monoliet op aan de rand van het bos. Een klein half uurtje wandelen brengt ons bij een veldkapel. We lopen de driehoekige ingang binnen en wanen ons op een onwerkelijke plek.

Een negatief van een bos
De kapel ter ere van de heilige Nicolaas van Flüe (Bruder Klaus) is gebouwd in de traditie en bouwstijl van de omgeving. De basisvorm bestaat uit 112 sparrenstammen waar een vijfhoekige betonstructuur omheen is gebouwd. Daarna brandde architect Peter Zumthor binnenin drie weken lang een klein vuurtje. Dit zorgde ervoor dat er zich aan de binnenkant een negatief van een bos vormde. Hierin zijn kleine glasbollen verwerkt die diffuus licht naar binnen brengen. Bovenin de kapel is een opening waardoor de regen en sneeuw een klein plasje vormt op de vloer met een laagje van tin en lood.
Bruder Klaus Feldkapelle (zicht naar buiten)
Al deze elementen zorgen ervoor dat je bij binnenkomst onder de indruk bent en even stil wordt. Resonantie dus.

Het zitbankje, waarop het trouwens prettig zitten is, moest precies 1,04 meter zijn. Niet langer dan dat, genoeg voor één persoon. Bruder Klaus was immers kluizenaar.

Bruder Klaus
Nicolaas van Flüe (1417–1487) is de patroonheilige van Zwitserland. Hij was een vredesstichter, mysticus, kluizenaar en vader van tien kinderen. In 1947 is hij door paus Pius XII heilig verklaard.
Bruder Klaus leefde de laatste twintig jaar van zijn leven als kluizenaar in de Zwitserse Ranft-vallei. Tijdens zijn kluizenaarschap was hij een veelgevraagd adviseur. Zo voorkwam hij in 1481 bijvoorbeeld een dreigende oorlog tussen de Zwitserse confederaties. Een man zoals hij zouden we deze dagen goed kunnen gebruiken …

Hoe het verhaal begon
Een lokale boerenfamilie zocht een architect voor de bouw van een kapel op hun velden. Zumthor werkte aan een opdracht in de buurt (Keulen) en zo kwam men hem op het spoor. De familie schreef hem of hij niet ‘een plannetje wilde maken’. Het antwoord van de Zwitser was aanvankelijk negatief. ‘U zult er tien jaar op moeten wachten en bovendien ben ik erg duur,’ zou de starchitect gezegd hebben.

Nadat hij zich liet overhalen tot een bezoek aan het plaatsje besloot hij de opdracht aan te nemen. Hij zag wel wat in deze plek en vond het idee intrigerend. Bruder Klaus was bovendien de favoriete heilige van zijn moeder. Tijdens het bouwproces stopte de architect van o.a. De Meelfabriek met roken en werd, naar eigen zeggen, weer een echte katholiek.

Oh ja, van de eindfactuur zag hij, in stijl, af.


Bronnen: Frankfurter Allgemeine Zeitung, New York Times en zuiderlucht.eu
(Afbeeldingen: NUtblog)

Eighties-nostalgie (XXVI): Taco

Terug van het zomerreces bouwt de secretaris weer verder aan de Eighties-nostalgie reeks en dit keer zoekt hij het dicht bij huis. In 1983 verscheen een opvallend nummer in de vaderlandse Top ’40, aan de hand van Taco, getiteld ‘Puttin’ on the ritz’. Zowel over de artiest, het nummer als de clip valt het nodige te vertellen.

Taco heet voluit Taco Ockerse, een in Jakarta geboren Nederlander met hagelwitte tanden. Hij groeide op in diverse landen en zocht zijn muzieksucces ook mondiaal, zodat hij relatief weinig bekendheid geniet in ons eigen land. Vooral rond de jaren ’80 combineerde hij oude muziekstijlen met synthesizers en wist zo een eigen sound te creëren.

Puttin’ on the ritz is hier zijn bekendste voorbeeld van. Het is van oorsprong een compositie van Irving Berling (1927) en werd als eerste tot een succes gebombardeerd door Fred Astaire. Nadien werd het door vele artiesten gecoverd, o.a. door Ella Fitzgerald. De titel is een verwijzing uit de straattaal naar het modieus gekleed gaan, iets wat destijds door het chique Ritz hotel werd ingegeven. De versie van Taco is bijzonder mede ook door de eerder genoemde samensmelting van stijlen. Daarnaast sluiten de tekstregels feilloos op elkaar aan, hetgeen het nummer een aantrekkelijke vlotheid meegeeft.

De clip is zeker de moeite waard: het is enerzijds een ode aan Fred Astaire, maar vertoont daarnaast ook gelijkenissen met het latere ‘Smooth criminal’ van Michael Jackson. Cinefielen zullen echter ook een vleugje van de film ‘The Jazz Singer’ (1927) terugvinden, mits ze de ongecensureerde versie afspelen, want dit fragment leidde destijds tot controverse. De beruchte ‘blackface’ in de clip – Taco had zijn gezicht zwart gemaakt – werd als racistisch beschouwd.

In Amerika gooide Puttin’ on the ritz ondanks (of dankzij?) deze heisa hoge ogen. Het nummer verkocht meer dan een miljoen exemplaren, hetgeen slechts met vier andere Nederlandse singles gebeurde.

Een stukje dactyologie

NUtblog is geïnteresseerd in de herkomst van woorden, maar aangezien het overgrote deel van de communicatie via de non-verbale weg verloopt, waarom geen aandacht besteden aan de oorsprong van gebaren? Laten we eens met een controversiële beginnen: het tonen van de middelste vinger.

Over het ontstaan van dit gebaar leest de secretaris verschillende verhalen.  Maar waarom zouden we kinderboekenschrijver Arend van Dam niet geloven, getuige zijn verklaring in het boek ‘Ridder zonder kasteel?’

Bron: dactyologie.nl

Het opsteken van de middelvinger is een gebaar dat in de vroege middeleeuwen is ontstaan. Boogschutters zijn ermee begonnen. Een boogschutter spant de pees van de boog met de sterkste vinger van zijn rechterhand: de middelste vinger. Als een boogschutter in handen van de vijand viel, werd hij vaak gestraft. Voor straf werd zijn middelvinger afgehakt. Daarna werd hij vrijgelaten. Zonder middelvinger kon hij nooit meer zo goed schieten als voorheen.

Wat deden boogschutters als ze tegenover elkaar stonden op het slagveld? Om elkaar te pesten staken ze de middelvinger naar elkaar op. “Kijk, ik heb hem lekker nog!”