Post Tagged ‘column’

Vuurwerk (NUtcolumns #5)

zaterdag 2 januari 2010

Wat mij betreft is het een jaarlijks terugkerende bron van ergernis. Het begint al op 30 december ‘s morgens vroeg, als een dozijn kutjochies zich strategisch opstelt bij winkelcentra en buurtsupers om daar het voorbij lopende publiek al dan niet illegaal knallende rotzooi in de nek te gooien. Terwijl je spichtig om je heen kijkend naar de overkant van de straat spurt, voel je je verdorie een Sarajevo-bewoner in de jaren negentig. En het gaat de hele dag en avond door, om te eindigen in een demonstratie van luhtafweergeschut dat je vermoedelijk vanaf Mars nog wel kunt zien.

Vijfenzestig à zeventig miljoen euro. Misschien dat u een dergelijk bedragje vandaag nog achteloos aanmeldde bij de Belastingdienst in het kader van de inkeerregeling voor NSB-spaarders, maar ik vind het veel geld. Het is de geschatte omzet van de vuurwerkbranche, zo rondom deze jaarwisseling. We leven donderdag 31 december en de klok staat op 23.07 uur. Minder dan een uur te gaan dus. En dan gaat het letterlijk in rook op.

Ha, we hebben het tot nu toe alleen nog maar over de legale knallerij gehad. De politie nam dit najaar 241.400 kg illegaal vuurwerk beslag. We kunnen er risicoloos vanuit gaan dat dit het topje van een ijsberg is die de Titanic gemakkelijk tot zinken zou brengen. Vandaar dat de teller op nieuwjaarsdag zo rond de 300 zal staan. Beschadigde ogen wel te verstaan.

De aangeboren superioriteitsgevoelens van ons Nederlanders ten spijt zijn er landen waar ze de vuurwerkkwestie beter begrepen hebben. Neem nou Frankrijk. Ten eerste zijn ze daar zo slim om het goedje in de zomer af te steken. Dat scheelt alvast een paar bevroren vingers. Bovendien levert het ze een extra vrije dag op die ze voor het gemak tot Nationale Feestdag bombarderen. Dan wordt meestal het gemeentelijk besluit genomen om er een kwaliteitsspektakel van te laten maken door de brandweer, de sapeurs pompiers. Hebben die jongens tussen het openzagen van om bomen gevouwen Cliootjes en het reanimeren van door hun niet geheel nuchtere jachtkameraden neergeschoten mannen met camouflagepakken door ook eens een onschuldig verzetje. De kijker profiteert, het ziet er vaak schitterend uit. Heel wat beter dan die amateuristische pijltjes bij ons.

Toch zit er voor mij persoonlijk ook een voordeel aan de Nederlandse aanpak. Zolang wij hier jaarlijks voor 70 miljoen euro kruit tot roet verknoeien, ontslaat dit mij van de plicht om voor veel geld een roetfilter onder mijn dieselauto te laten schroeven. Vanwege compleet zinloos.

Interviewen (NUtcolumns #3)

woensdag 11 november 2009

Er zijn behalve voetbal maar weinig zaken waarover zoveel mensen een mening hebben als over de interviewer die jaarlijks zomergasten presenteert. Die persoon doet het namelijk altijd verkeerd, wat dermate veel wijdverbreid gezeur oplevert dat je je afvraagt wat de eer van dat vakantiebaantje nou eigenlijk precies inhoudt. Is interviewen dan zo moeilijk? Dat is niet te hopen, want er blijken nogal wat functies te zijn waarbij interviewen een wezenlijk deel vormt van de werkzaamheden. Een snelle blik op carrièretijger.nl leert ons dat bijvoorbeeld de beleggingsadviseur, beleidsmedewerker, bedrijfsleider/vestigingsmanager, communicatiemanager, intercedent, journalist, marktonderzoeker, p&o adviseur, redacteur en de uitvaartondernemer met regelmaat interviews afnemen.

Hoewel ik mijzelf graag als een creatief denkend persoon mag bestempelen, zou ik op zowel de eerste als de laatste beroepsgroep zo één, twee, drie niet gekomen zijn. Niets ten nadele van mijn persoonlijke financiële adviseur, maar mijn ervaring met gesprekken met beleggingsadviseurs is dat ik als klant de vragen stel en de tegenpartij grossiert in vage antwoorden. Ik begrijp nu pas dat het andersom zou moeten zijn. Ziet u de vragen van uw interviewende beleggingsadviseur trouwens al voor u? ‘Bij de polis die ik u aanbied betaalt u de eerste vijfentwintig jaar alleen maar kosten, daarna krijgt u misschien rendement, wat vindt u daarvan?’

De uitvaartondernemer zou ik al helemaal niet bedacht hebben. Die beroepsgroep heb ik reeds lang geleden uit mijn hersenen verdrongen in de hoop dat er daardoor niemand meer dood gaat. Ik ben namelijk nogal een huilebalk, eerlijk gezegd op het genante af. Zelfs bij de uitvaart van een volslagen onbekende kat, hond of desnoods cavia sta ik te grienen alsof ik mijn eigen kinderen ten grave draag, de god waarin ik niet geloof verhoede dat dat laatste mij overigens nog eens moet overkomen, daar niet van. Anderzijds, belangrijk is het natuurlijk wel. Een goed interviewende uitvaartondernemer – wat trouwens een naar woord is, de een zijn brood is de ander zijn dood, maar om dat nou zó te benadrukken! – voorkomt uitglijders die overigens wel een vrolijk licht op de droevige zaak kunnen werpen.

Het zal duidelijk zijn dat het met mijn hyperemotionele inslag geen goed idee is als ik zelf uitvaartondernemer word. Mijn beleggingsresultaten van de afgelopen tien jaar moedigen een keuze voor een carrière als beleggingsadviseur ook niet echt aan. Toch mag ik graag interviewen. Niet in de laatste plaats komt dit door de transformatie die veel geïnterviewden ondergaan op het moment dat de interviewer ten tonele verschijnt. Ineens verandert de gesprekspartner van een zielig hoopje ellende zonder gevoel van eigenwaarde in een persoon met een mening die ertoe doet. Het leuke daarbij is dat het helemaal niet van belang blijkt te zijn of het gaat om een interview voor een vooraanstaand, internationaal medium zoals bijvoorbeeld het NUtblog, een dertien-in-een-dozijn relatiemagazine of het plaatselijke sufferdje. De gedachte eindelijk eens belangrijk genoeg te zijn om door een heuse journalist of zoiets ondervraagd te worden, maakt onvermoede trots in de gesprekspartner los. Niet zelden worden er in de antwoorden verrassend grote omwegen gemaakt om vervolgens te verzanden in een prachtig cliché.

Doch, het omgekeerde komt ook voor. Zeker wanneer de interviewer een microfoon en een camera meeneemt, willen de mensen nog weleens dichtslaan. Dan schieten opeens de oogjes van links naar rechts, op zoek naar de nooduitgang en zie je de gesprekspartner hopen op een bomaanslag vlak in de buurt. Op die momenten is het extra leuk de microfoon gewoon voor de mond van de ondervraagde te houden en hem of haar enkel vriendelijk toe te knikken. Zeer zeldzaam zijn de mensen die dan nog weten te zwijgen. Meestal komt er iets heel onzinnigs uit, heerlijk.

De tandarts (NUtcolumns#2)

woensdag 4 november 2009

Over twee weken is het weer zover: het negenmaandelijkse bezoekje aan de tandarts. Voor de secretaris betekent dat, in tegenstelling tot vele anderen, geen slapeloze nachten en zweet op de bovenlip, maar een routinematig en bijna gezellig klusje. Want de secretaris heeft een uiterst vriendelijke tandarts: een rossige versie van professor Barabas die me vriendelijk doch onverstaanbaar toemurmelt, alsof hij zelf zijn kunstgebit heeft verloren.  Barabas ziet er al twintig jaar hetzelfde uit: kennelijk werkt fluoride ook tegen ouderdom. Zijn mondige echtgenote is de tandartsassistente die zich dermate dominant gedraagt dat je vermoedt dat ze enkele werkinstrumenten thuis in andere gaten deponeert. Uiterst attent vraag ik na mijn behandeling naar het wel en wee van hun dochter en roddel ik nog even over mijn moeder die noodzakelijkerwijs deze praktijk frequenteerd. Had ze vroeger maar beter moeten poetsen.

Niet dat het alleen maar hosanna is: naast de benzinekosten (ik ben zo gehecht dat ik nog naar mijn geboortestad afreis) ben ik binnen 3 minuten en 21 seconden een kleine 40 euro lichter. Stelt u zich eens voor dat er 10 secretarissen binnen het uur worden afgewerkt. Een kalme werkdag van 6 uur brengt dan 2400 euro in het laatje! Daar gaan dan wel weer de kosten van de golfpauze inclusief clubhuis-lunch vanaf, maar medelijden hoeven we niet te hebben. Aan de andere kant, de tandarts moet er wel de nodige offers voor brengen: een lange en Spartaanse opleiding, al die schijterds die je tot kalmte moet zien te manen en dan natuurlijk al die vieze bekken waar je de hele dag in zit te frommelen. Een verkoudheid is voor een tandarts ideaal: geen last van die stinkende adems en het biedt de mogelijkheid om eens flink terug te proesten en te rochelen.

Zouden er tandartsen zijn die dromen om eens een lekkere tongzoen te geven in plaats van hun tandplakslang in een mooie mond te stoppen? Of de patient, in plaats van water, met AA-sportdrank laten naspoelen? Misschien even de bridge-avond afspreken tijdens de wortelkanaalbehandeling? Sadisme ligt gauw op de loer op de tandartswerkvloer, dunkt me. Voor het geld hoeven ze het na een paar jaar al niet meer te doen, want de audi-TT staat dan al op de oprijlaan te blinken als een perfect gebleekte tand.

In de wachtkamer mag doorgaans wel wat meer pecunia worden gestoken. Troosteloze ruimtes waarin altijd de verkeerde radiozender opstaat. De stoelen lijken zo weggeplukt bij Het Goed, maar het meest beschamend zijn natuurlijk de verschrikkelijk slechte keus aan tijdschriften. Een regelrechte belediging van de clientele die de spanning heus niet kan verdrijven met overgangsverhalen uit de Margriet of de zoveelste slappe moordzaak uit de Panorama. Bij de Chinees is het bijkans beter wachten en nog minder duur ook. Bij binnenkomst neem ik me voor om de aanwezige angsthazen met een vriendelijke groet en gemoedelijke blikken nog op te monteren, maar ook ik raak verzeild in onrustig getik en gefrunnik.

Tot slot een geruststellend feitje: de website http://www.tandarts.nl vermeldt dat meer dan de helft van de volwassenen (grote) angst heeft om naar de tandarts te gaan. Maar er gloort hoop voor de toekomst: bij de kinderen is dit nog geen kwart. Dus koop een mooie Dora-tandenborstel en maak uw kind tandartsbestendig!

Het tankstation (NUtcolumns #1)

zaterdag 31 oktober 2009

Een mens wordt vaak bedonderd in zijn leven. Eén van mijn vroegste herinneringen op dit gebied, nog ver voor het afsluiten mijn vijf woekerpolissen, de noodlottige vervanging van een peperdure, maar vooral helemaal niet kapotte wasmachinepomp, mijn fatale investeringen in het Robeco IT Equity Fund, diverse rampzalige garageavonturen en die keer dat iemand in een Franse supermarkt stiekem zijn boodschappenkarretje met daarin een nepmuntje verruilde voor de mijne met daarin natuurlijk een blinkend tien frank-stuk, dateert uit mijn lagere schooltijd. Ik was elf jaar en had les van de bovenmeester, een prachtig woord dat eigenlijk ook toen al niet meer gebruikt werd. Hij stond voor het bord en legde ons plechtig uit dat het einde der tijden nabij was, qua aardolie dan. Nog een jaartje of wat, misschien tien, maximaal vijftien, en het was gedaan met de pret. Droge oliebronnen betekenden geen autorijden meer én geen verwarming in de winter. Ai, dat was incasseren. Over die verwarming maakte ik mij niet zo’n zorgen. Wij hadden thuis een prima gietijzeren kachel staan en bovendien een bos aan brandstof achter het huis. De winters kwamen we voorlopig dus wel door. Het niet kunnen autorijden was een groter probleem. Hoe zouden wij dan met twee kano’s, drie surfplanken en vijf racefietsen bovenop onze bestelbus in Frankrijk geraken voor het hoogtepunt van het jaar: de zomervakantie?

Inmiddels zijn we niet tien, niet vijftien, maar eenentwintig jaar verder en sta ik nog steeds elke week bij het tankstation om daar een litertje of vijftig fossiele brandstof over te hevelen. Dat hele verhaal van die bovenmeester was dus complete lariekoek. En dat is buitengewoon jammer, want een bezoek aan het tankstation is natuurlijk keer op keer een treurigstemmende ervaring en niet alleen vanwege de klimatologische consequenties van frequent bezoek. Het is er gewoon slecht toeven, vooral qua biologische appels. Je kunt, nadat je erin geslaagd bent de te korte slang om de hoek van je automobiel te wurmen – hoe onthouden  al die andere mensen toch aan welke kant de vulopening zit? – en de tank te vullen, in de shop daarentegen wel terecht voor allerlei zaken die de Taliban terecht verboden hebben, zoals überkleffe broodjes-bal-gehakt, king size marsrepen, semi-ranzige porno, sneeuwkettingen voor hele andere bandenmaten dan de mijne en open haard hout in 2,5 kilozakken. De wc is smerig, het verkeer raast vijfentwintig meter verderop oorverdovend hard langs, er hangen ongeschoren beroepschauffeurs stinkend over het koffietafeltje en de schele caissière staat gezellig weg te kwijnen achter een glazen plaat.

Maar de wasstraat, die is wél leuk! Van kinds af aan ben ik gefascineerd door het strak georkestreerde samenspel van kleurige borstels, autoshampoo en turbowax. Wellicht was die buitengewone interesse vooral te danken aan het feit dat mijn vader nooit, maar dan ook nooit, zijn auto aan de wasstraat toevertrouwde. Hij keek wel uit, als trotse bezitter van een eersteklas hogedruk spuit. Die onbereikbaarheid van de carwash maakte het voor mij een des te interessanter fenomeen. Aan de andere kant, ik ben tegenwoordig zelf vader. En ik heb mijn tweejarige zoontje onlangs een keertje de wasstraatexperience mee laten beleven. Met grote ogen zat hij op de achterbank te kijken hoe de borstels langs de ramen zwierden. Geboeid luisterde hij naar mijn uitleg over de werking van de wasstraat, waarbij ik er halverwege achter kwam dat ik natuurlijk helemaal niet weet hoe die werkt. Toch, elke keer als we langs het tankstation komen roept mijn zoontje nu: “Papa auto wassen!”

Étape 11: Je nou ja eh dinges eh je weet wel doen

dinsdag 14 juli 2009

Étape 11: Vatan – Saint Fargeau 192 km.

Ben je wielrenner, dan stellen leken je altijd dezelfde twee vragen. Vraag één: heb je wel eens een wedstrijd gewonnen? Behoorlijk wat renners sluiten hun carrière zonder ook maar één enkele overwinning behaald te hebben af. En dan is zo’n vraag dus best pijnlijk. Vraag twee is kennelijk ook een pijnlijke, gezien het moeilijke gezicht dat de vragensteller er bij trekt: hoe doe je dat nou als je 192 kilometer moet fietsen als je nou ja eh dinges, je weet wel, ja uh hoe zeg ik dat nou netjes, nou ja, laat ik zeggen, naar de wc moet?

Nou, daar gaan we dan.

Er zijn, bij de meeste mensen toch, twee soorten behoeften die zich voor zouden kunnen doen: het plassen en het poepen. Om met het plassen te beginnen: tja, dat moet regelmatig gebeuren tijdens lange ritten. Wielrenners zijn als de dood dat hun vochtbalans verstoord raakt. Te weinig vocht betekent namelijk direct prestatieverlies, en niet zo’n beetje ook. Vandaar dat er voortdurend aan bidons gelurkt wordt in het tempo van een havenarbeider die de kroeg bezoekt op zaterdagavond.

Veel drinken, betekent ook veel plassen. Stapt de wielrenner dan af? Jazeker, mits het wedstrijdtempo dit toelaat. Als het te hard gaat om gemakkelijk terug te kunnen komen, laten veel wielrenners bij regen de boel gewoon lopen. Heb je het tenminste nog heel even warm. Regent het niet, dan hebben coureurs een aardige truuk. Ze laten zich door een ploeggenoot voortduwen terwijl ze hun slurf ongeneerd buiten de broek hangen en de sluis open zetten. Dit vergt wat oefening en mag overigens niet in het zicht van het publiek. Op het op deze wijze douchen van onschuldig toekijkend volk staat namelijk een boete.

Dan het poepen. Dat komt weinig voor. Tijdens de inspanning denkt het lichaam over het algemeen: ja hallo, dat fietsen is al intensief genoeg, mooi dat ik nu me even niet met die endeldarm bezig ga houden. Het is dus een weinig voorkomend probleem.

Tenzij.

Met al dat eten en drinken tijdens het fietsen wordt de spijsvertering natuurlijk zwaar belast. Zeker bij warme omstandigheden kan al die suikertroep ook wel eens verkeerd vallen. Met een knetterende diarree-aanval tot gevolg. Gelooft u mij, dat is ellende. Er zit niets anders op dan in je boek te schijten, af te stappen en in een wijngaard te knielen of de kringspier dicht te knijpen, met de verschrikkelijkste buikkrampen tot gevolg.

Ik koos ooit voor het laatste.

Het was de tweede etappe in een koers in de Hérault en ik had de slag gemist. Wonder boven wonder kwam alles weer bij elkaar en lag een leuke ereplaats nog in het verschiet. Een uurtje voor de finish kreeg ik echter verschrikkelijke buikkrampen. Vijf minuten kronkelend op de fiets, dan weer vijf minuten niet en zo voort. Echt ontsnappen was er in deze conditie natuurlijk niet meer bij en omdat de sprint tijdens vijf slechte minuten plaatsvond, werd ik nog laatste ook. Ik reed recht van de streep door naar mijn auto, die naast een paar bosjes aan de rand van een dorpje stond. Ik gooide mijn fiets aan de kant, rende in paniek door de bosjes, sleurde ondertussen mijn shirt uit, trok mijn broek omlaag, sloot mijn ogen, zakte door de knieën en deed met een diepe kreun mijn behoefte.

En toen keek ik op.

In de ogen van vijfentwintig bejaarden, die aan de andere kant van dat bosje bezig waren aan hun jaarlijkse jeu de boules toernooi. Shit.

Étape 9: Eugène Christophe

zondag 12 juli 2009

Etape 9: Saint Gaudens – Tarbes 160.5 kilomètres

Vandaag rijden de renners over een fraaie combinatie van Pyreneeëncols. Kort achter elkaar worden de Col d’Aspin en de Col du Tourmalet bedwongen. Precies tussen die twee monsterlijke, groene reuzen ligt het plaatsje Sainte Marie de Campan. Ergens aan een muur hangt daar een gedenkplaat die ons herinnert aan één van de mooiste anekdotes die de lange Tourgeschiedenis rijk is.

We gaan terug naar 1913. Voor de historisch minder onderlegden onder ons: dat was nog voordat een hele generatie wielrenners aan flarden geschoten werd in de loopgraven van Verdun. Eugène Christophe, die de eerste wereldoorlog overigens wél overleefde en in 1919 de eerste drager van de gele trui ooit was, beklom in zijn eentje de Tourmalet. Lijkt de Tour de France heden ten dage al op een calvarietocht, vroeger was het nog veel leuker. De wegen waren nauwelijks te onderscheiden van de rivierbeddingen, achter elke bocht kon een slechtgehumeurde beer oversteken en tegen de boomgrens woonden nog trollen, eenogig maar vriendelijk. 

Onder die omstandigheden een berg beklimmen ging nog wel, afdalen was vaak een ander verhaal. Eugène Christophe, die bergop een half uur voorsprong bij elkaar gefietst had, reed in het begin van de afdaling op een steen. Voorvork kaduuk. Omdat hulp niet toegestaan was, zag hij zich genoodzaakt te lopen naar de smid van het volgende dorp. Veertien lange kilometers later kwam hij aan in Sainte Marie de Campan, waar hij onder toeziend oog van een streng jurylid – de man had vast een snor – zélf zijn kapotte rijwiel weer aan elkaar moest lassen. Met vier uur achterstand zette Christophe de achtervolging. Het hele dorp, vijf gezinnen, achtentwintig geiten, zestien kippen en een ezel, applaudisseerde. Helaas, de Tour van Christophe was verloren.

Je zou denken dat een mens maar één keer in zijn leven zoveel pech heeft. In 1919 overkwam Eugène Christophe echter nog een keer hetzelfde. Toen mocht hij een paar uur lopen naar een fietsfabriek in Valenciennes. Het hele voorval is ten slotte een treffend voorbeeld van hoe onbarmhartig een sponsor en een jury kunnen zijn. Om met de jury te beginnen: die gaf Christophe een minuut straftijd omdat de smidsknecht hem geholpen had om de blaasbalg te bedienen en zo het ijzer heet genoeg te krijgen om het te smeden. Hoe verzin je het.

Dan de sponsor. De fiets van Christophe was een Peugeot. Bij dat merk was volgens de directie veel mogelijk, maar niet dat een vork van één van hun fietsen spontaan brak. De PR-afdeling verzon hocuspocuspilatuspas een auto waar Christophe tegenaan gereden zou zijn.

Naast de plaquette ter nagedachtenis aan het avontuur van Eugène Christophe zou een verkeersbord moeten hangen. Verboden in te rijden voor Peugeots.

Étape 8: De troost van de Beer van Grimstad

zaterdag 11 juli 2009

Étape 8: Andorra la Vella – St. Girons 176.5 kilomètres

Vandaag wisselde de groene trui van eigenaar. Voor de leken onder ons: dit groene kledingstuk wordt gedragen door de renner die de meeste punten verzamelt. En die punten zijn dan weer te winnen aan de eindstreep en bij tussensprints. Vraag: waarom is die trui überhaupt groen en niet blauw of rood? Antwoord: omdat de eerste sponsor van de puntentrui een grasmaaierfabrikant was en gras groen is, tenzij het naast de kernreactor van Tsjernobyl groeit . Ja mensen, zo simpel kan het leven zijn.

Bon, de nieuwe drager is de Noor Thor Hushovd. Een krachtmens met de bijnaam ‘De Beer van Grimstad’. Zelden een wielrenner gezien met zo’n brede borstkas. De meesten hebben immers een echt kippenborstje, zodat je je afvraagt waar in hemelsnaam die 6 tot 7 liter longinhoud dan ergens zit. Zoniet Thor, mooie naam trouwens. Als je vernoemd wordt naar de God van de Donder sta je als atleet al met 1-0 voor. Thor staat overigens ook al op 1-0, want hij won deze Tour al de etappe naar de Montjuich.

Het goede nieuws is: ik heb ooit verloren van Thor. En wel met meer dan 1-0 ook. Op een mooie lentedag was ik met een Spaanse vriend, een surfer die zo’n wielerwedstrijd wel eens wilde bekijken en er stond trouwens toch geen wind, per auto afgereisd naar het kleine plaatsje Branoux, gelegen aan de voet van de Col de la Baraque, in de buurt van Alès. Daar was een korte wedstrijd uitgeschreven, waarbij die Col de la Baraque driemaal beklommen moest worden.

Vanaf het startschot spoot het peloton in de hoogste versnelling de col op. Na een bocht of vijf vroeg ik me af of je jezelf een klaplong kunt ademen en na bocht tien wist ik zeker dat het kan. Ondertussen kon ik mijn ambities bijstellen van een top tien positie naar uitrijden. In nauwelijks zestig kilometer verloor ik bijna twintig minuten op de eenzame winnaar. Een eersteklas vernedering. In de auto op weg naar huis troostte mijn Spaanse vriend me met de mededeling dat ik 46e was geworden, terwijl er meer dan 90 deelnemers waren. En dat ik dus nog bij de beste helft hoorde.

De echte troost is echter veel later gekomen. Bij elke overwinning van Thor Hushovd wordt de pijn van de nederlaag een beetje verzacht. Want wat zag ik toen ik een paar weken later de uitslagen bekeek in een frans wielerblaadje? Grand Prix de Branoux: 1. Thor Hushovd (Norvège). Op die mooie lentedag wist ik het nog niet, maar inmiddels is het me wel duidelijk: ik heb daar in Branoux verloren van een echte klasbak.

Dank je wel, Thor, voor het upgraden van mijn carrière.

Étape 7: Dwergen

vrijdag 10 juli 2009

Étape 7: Barcelona – Andorra Arcalis

Ach, wat had ik het leuk gevonden als Samuel Dumoulin, de kleinste renner van het peloton, vandaag als eerste de finish gepasseerd was. Een dwerg die wint in een dwergstaatje. De Tour heeft immers de Europese Unie verlaten en is naar Andorra gefietst. Bent u daar wel eens geweest? Gek hoor, vijfhonderd winkels waar je motorhelmen kunt kopen in één straat, zo middenin die statige Pyreneeën. En ik heb niet eens een motor.

Tja, net als in Monaco, waar deze Tour van start ging, draait in Andorra alles om geld. Het landje werd ooit rijk van de smokkelactiviteiten en is sindsdien door een gebrek aan blauw briefpapier rijk gebleven. De aantrekkelijke belastingtarieven trekken jaarlijks 10 à 11 miljoen toeristen, die ‘s zomers op koopjes jagen  en ‘s winters skiën. Eigenlijk levert dit soort dwergstaatjes het ultieme bewijs dat de economische voordelen die toegeschreven worden aan schaalgrootte klinkklare lariekoek zijn.

Klein maar fijn dus. Dat geldt ook voor veel wielrenners. Heeft u er al eens eentje in het echt gezien? Klein hè! Paolo Bettini, Damiano Cunego, Oscar Freire, Roberto Heras, Leonardo ‘de dwerg van de Abruzzen’ Piepoli: ze reden of rijden allemaal op kinderfietsjes rond. Ik heb het altijd verbijsterend gevonden om te zien hoeveel power er in zulke korte beentjes kan zitten. Waar halen ze het toch vandaan? Nou ja, in het geval van Piepoli en Heras is dat inmiddels wel duidelijk: van de plaatselijke pharmacie.

Er is naast wielrennen nog een sport waarin dwergen goed zijn, zij het dat ze vooral figureren als lijdend voorwerp: het dwergwerpen. Net als wielrennen niet ongevaarlijk. In 1828, lang voordat Francisco Cepeda in 1935 zijn hoofd doormidden viel bij een valpartij tijdens de afdaling van de Galibier, viel de Nederlandse dwerg Simon Paap al dood na een geslaagde worp. Daarna bedacht iemand dat het slim was om de dwerg een helmpje op te zetten. Jammer genoeg hebben de Verenigde Naties in 2002 een streep gezet door deze sympathieke niet-Olympische sport.

Ook jammer: Samuel Dumoulin werd vandaag bovenop Arcalis vooraf gegaan door 133 andere renners. Ach, een echte dwerg is hij toch al niet. Met zijn 1,58 meter is hij dan wel kleinste van het peloton, maar nog altijd 8 cm te lang om officieel als dwerg gekenmerkt te worden.

Étape 5: Knettergek

woensdag 8 juli 2009

Étape 5: Le Cap d’Agde – Perpignan 196.5 kilomètres

Chute dans le péloton! Zeker in de nerveuze eerste week van de Tour klinkt deze kreet, die natuurlijk ‘valpartij in het peloton’ betekent, dagelijks over de koersradio. Onze eigen frisse, Hollandse jongens lagen er ook een paar keer bij. Gisteren verliet Piet Rooijakkers met een gebroken elleboog de Tour, vandaag was het de beurt aan Robert Gesink met een gebroken pols. Zij hadden nog geluk, de Spanjaard Pedro Horillo viel vorige maand tijdens de Giro bijna dood in een ravijn. En ook hij had nog geluk, want doden zijn er in het veleden ook al te betreuren geweest in de Tour. Wielrennen is dus niet alleen een schitterende sport, maar ook een reuze gevaarlijke. Conclusie: een mens die er vrijwillig voor kiest deze sport als hobby in competitieverband te beoefenen, moet wel knettergek zijn.

Er wordt wel gezegd dat iedere wielrenner voor iedere koers bang is voor een valpartij. Schrijver-wielrenner Tim Krabbé was er zelfs keer op keer van overtuigd dat het déze keer dramatisch met hem af zou lopen. Gek, maar zo fatalistisch was ik in mijn eigen, bescheiden carrière helemaal niet. Tuurlijk, je kon vallen, maar anderen hadden daarvoor veel meer talent dan ik. Het zijn namelijk altijd dezelfde klungels die erbij gaan liggen: de Frank Schlecks, David Zabriskies en Denis Menchovs van deze wereld. Koning van de valpartij was de Zwitser Alex Zuelle, maar die werd dan ook benadeeld door zijn beperkte gezichtsvermogen, het best te vergelijken met de waarnemingscapaciteit van een mol op een stralende zomerdag.

Anderen zijn stukken handiger in  het omzeilen van het pijnlijke onheil, dat trouwens vergezeld gaat van een typisch geluid van ledematen en fietsonderdelen die schuren over grof asfalt. Ik heb renners op de meest onwaarschijnlijke manieren overeind zien blijven en noodstops zien maken. Zelf ben ik ooit eens in een reflex in één vloeiende beweging over zowel een gevallen renner als zijn fiets heengesprongen. Met zestig kilometer per uur hoef je dan helemaal niet zo hoog te springen, dacht ik nog triomfantelijk tijdens mijn vlucht.

Jaja, stoere verhalen te over.

Natuurlijk ben ik ook wel eens gevallen tijdens een koers. Ik herinner me een schuiver tijdens een zomeravondcriterium in het centrum van Zeist. Het parkoers was merkwaardig: een vierkant met een lengte van precies 1 kilometer. Er reed een kopgroep weg en in een poging me bij de gelukkigen te vervoegen, nam ik in één van de vier bochten te veel risico. Mijn voorwiel gleed weg en ik schoof genadeloos richting de hekken. Tijdens het opstaan schoot de pijn door mijn lichaam en opeens leek wielrennen zo’n logische levenskeuze niet meer. Ik graaide naar mijn fiets, draaide me om en keek in de grote ogen van een vrouw die zich losgemaakt had uit het publiek. Ze klom over het hek en liep op me af. Ze was nog maar een meter van me vandaan toen ze haar rok in een wilde beweging omhoog gooide en triomfantelijk gilde: “Ik ben ook gevallen met de fiets! Kijk maar!” En inderdaad, behalve een door rossig schaamhaar omgeven slip werd er ook duidelijk een flinke schaafwond op haar rechterknie zichtbaar.

Daar op die warme zomeravond in Zeist, was niet alleen de wielrenner knettergek.


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 181 other followers