In de week van de jaren ’80 op radio 2 mag natuurlijk geen blog ontbreken over the eigthies. Er zijn van die artiesten die zelf geen grote dijken van hits hebben gescoord, maar niettemin een grote stempel hebben gedrukt op de popscene. Eind jaren ’70 meldde het duo Hall & Oates zich aan het front met een mengeling van pop, soul en blues. De blonde Daryl Hall (1946) en donkere John Oates (1949) hadden in Nederland een bescheiden hit in 1977 met ‘Rich Girl’. Pas in het volgende decennium begonnen ze wat beter te scoren, alhoewel de top 3 nooit gehaald werd.
De meest bekende nummers zijn ‘Maneater (oh oh here she comes….)’ uit 1982 en ‘Adult Education’ uit 1985, dat de vierde plaats bereikte in de top 40. De secretaris is daarnaast ook gecharmeerd van de ballad ‘Sarah smile’ uit 1976 waarin Hall zijn warme stemgeluid etaleert, maar dit nummer zag in ons land nooit het levenslicht. Naast hun eigen hits zorgden Hall & Oates op diverse manieren ook voor successen voor anderen. Zo werd ‘I can’t go for that (no can do)’ meerdere malen gesampled in R&B songs, met als hoogtepunt de versie van Notorious B.I.G. en R. Kelly.
Ook Paul Young, toch al de koning van de covers, profiteerde van de talenten van het tweetal uit Philadelphia: met het door Hall & Oates gemaakte ‘Everytime you go away’ scoorde hij een aardige hit. De twee zestigers treden inmiddels nog steeds op. Ze zien er eigenlijk nog best goed uit voor hun leeftijd, ofschoon je je bij de ijdele Daryl Hall afvraagt welke kunstgrepen hij hiervoor heeft laten uitvoeren. Afijn, zijn muzikale kwaliteiten staan buiten kijf en velen in de muziekwereld zijn schatplichtig aan hen. Hieronder secretaris’ mooiste:
De secretaris kan geëmotioneerd raken van muziek, doch zelden moet hij een traantje laten. Een band die dat wel gelukt is, komt van eigen bodem. We moeten dan terug naar 1987, alhoewel het oogvocht daadwerkelijk twee decennia later op de wangen neerdaalde toen de secretaris vader was geworden. Het betreft hier het nummer ‘Monica’ van het muziekduo Circus Custers, een ingetogen lied over een meisje waarvan de ouders gaan scheiden.
Circus Custers bestond uit Joseph Custers en Herman Erbé. Tussen 1980 en 1996 maakten zij samen Nederlandstalige popmuziek. Ofschoon hun naam anders doet vermoeden, zijn ze toch vooral bekend om hun serieuze, fijnbesnaarde liedjes, al zijn ze niet talrijk. Hun eerste hit ‘Verliefd’ (tot over mijn oren) is ook een blijvertje gebleken en prijkt op menig Nederlandstalig verzamelalbum. Circus Custers heeft zich wel verbonden aan (zware) onderwerpen die kinderen bezig houden: een jaar na ’Monica’ zongen zij op het album ‘Iedereen is anders’ van Het Goede Doel het nummer ‘Sara’. Dit gaat over een verstandelijk beperkt meisje en de problematiek die ontstaat, als haar ouders er niet meer zijn.
Erbé en Custers hebben nog wel samen een website onder de naam waarmee ze beroemd werden, maar daarnaast hebben ze ook ieder hun eigen site om hun huidige activiteiten te promoten. Custers maakte onder andere samen met Jan Smit en het Nederlands Politieorkest een kindervoorstelling en is ook betrokken bij het project Coach4kids, waar kinderen op school kennis maken met muziek en theater. Erbé maakte theaterprogramma’s voor zowel kinderen als volwassenen en bracht een tijd terug nog een nieuw album uit.
Op de gezamenlijke site staat wel een opvallend duidelijke zin: “Circus Custers bestaat niet meer sinds 1996. Sindsdien hebben Herman en Joseph dan ook niet meer samen op een podium gestaan, en ze zijn dat ook niet van plan.” Toch ook een echte scheiding? We zijn weer terug bij Monica en het bijbehorende kippevel….:
Een veelgebruikt compliment voor artiesten is ‘dat ze zo gewoon zijn gebleven’. Lariekoek natuurlijk, want de meeste popsterren lijden aan een zekere vorm van narcisme, hoogmoed, krankzinnigheid of andere ondeugden. Gelukkig bevestigen ook hier de uitzonderingen de regel: in de eighties bijvoorbeeld was daar Christopher Cross, een op het (eerste) oog doorsnee Amerikaan, liefhebber van American football, die toevallig ook nog goed kon zingen.
Zijn debuutalbum, ook zo heerlijk gewoon ‘Christopher Cross’ getiteld, sloeg in als een bom. Hij werd daarmee de eerste en enige artiest die de grote vier Grammy’s (beste opname, nummer, album en nieuwe artiest) won in hetzelfde jaar. Het bevat twee nummers die begin jaren ’80 zeker niet de hoogste regionen in onze Top 40 bereikten, maar later toch uitgroeiden tot vaak gedraaide hits. Het betreft ‘Ride like the wind’ en het minstens zo bekende ‘Sailing’ dat uiteraard niet verward moet worden met het gelijknamige nummer van Rod Stewart.
In die tijd schreef de in 1951 in Texas geboren Cross ook het themanummer voor de film ‘Arthur’, met als componist niemand minder dan Burt Bacharach. Ook deze creatie viel in de prijzen: in 1981 won het een Golden Globe Award voor beste liedje in een film en in 1982 zelfs een Oscar.
Daarna bleek het lastig voor Cross om de hoge verwachtingen te blijven waarmaken en verdween hij langzaam van het toneel. Hoewel niet letterlijk: nog steeds treedt hij veel op. Met zijn hoge, bijzondere stem weet hij veel gevoel te leggen in zijn vlotte ballads. En zijn liefde voor American football steekt hij daarbij niet onder stoelen of banken: vaak gaat de Amerikaan getooid in dito T-shirt en pet. Of is dat om aan te geven dat hij net zo goed je buurman had kunnen zijn?
De jaren ’80 staan vooral bekend als het decennium met de doorsnee popmuziek. Coupletje-refrein-coupletje-refrein-instrumentaal stuk-nogmaals coupletje-refrein, zo zijn de meeste nummers wel opgebouwd. Weinig innovatief zullen zekere deskundigen zeggen: dat moge wellicht waar zijn, maar de secretaris kan er geen genoeg van krijgen. Toch zijn er in the eighties ook unieke geluiden te horen.
In 1984 bestormt de Engelse groep Matt Bianco de internationale hitlijsten met een eigen stijl: een geslaagde combinatie van jazz, pop, nachtclub-sound met een flinke saus Latijns-Amerika. Matt Bianco is de groep van zanger Mark Reilly en bestaat verder onder meer uit de Poolse zangeres Basia Trzetrzelewska, die later zonder haar onuitspreekbare achternaam als solo-artieste verder gaat. Hun eerste hit in Nederland is ‘Get out of your lazy bed’, snel gevolgd door ‘Whose side are you on’.
De eerste indruk van Matt Bianco is zeker sprankelend: met veel elan, zowel qua muziek als qua kleding, integreren ze de romantiek van de jaren ’60 en mode van de jaren ’80 tot een soepel geheel. In 1985 brengen ze een heerlijke mambo uit, ‘More than I can bear’. Dansscholen zullen destijds dankbaar gebruik hebben gemaakt van Matt Bianco’s oeuvre. De secretaris op zijn beurt doet zijn voordeel ermee als ontspannen achtergrondmuziek. Daarnaast is het ook muziek die je zonder risico en sans gêne aan elke willekeurige gast kunt voorschotelen.
Matt Bianco is echter in meerdere opzichten een modeverschijnsel. Al snel ontstaat er onenigheid in de groep en blijft Mark Reilly alleen achter. In 1988 produceert hij nog het heel aardige en zeer dansbare ’Don’t blame it on that girl’, maar daarna is de fut er wel uit. Soms komt de oude voering toch snel door een nieuw jasje heen….
Gisteren in Pauw&Witteman volgde de secretaris met belangstelling het gesprek met de wereldberoemde, klassiek geschoolde Duitse countertenor Andreas Scholl. Een muzikale tak van sport, waar hij nog weinig kaas van gegeten heeft. Gelukkig werd, om het begrip countertenor uit te leggen voor de leek, een uitstapje gemaakt naar equivalenten in de popmuziek. En wie kreeg de kijker in de reeks van hoge(re) mannenstemmen voorgeschoteld: de in de jaren tachtig groot geworden Jimmy Sommerville.
Jimmy Sommerville scoorde met twee companen als Bronski Beat in 1984 een grote hit met het geëngageerde ‘Smalltown boy’. Het nummer gaat over een homoseksuele jongen die te maken krijgt met homofobie en daaruit voortvloeiende gevoelens van eenzaamheid en onbegrip. Een gedurfde zet van Sommerville die het onderwerp daarmee enorm op de kaart zette, maar tegelijkertijd zichzelf als openlijk bekende homoseksueel zeer kwetsbaar opstelde.
Zo vastbesloten als Sommerville was met z’n strijd voor gelijke behandeling en bejegening van homo’s, zo wispelturig was zijn muzikale loopbaan. Hij kreeg het bij Bronski Beat namelijk al gauw op zijn – overigens zeer losse – heupen en sprong over naar de band The Communards. Dit legde de Schot echter geen windeieren, want in 1986 scoorde de formatie een dijk van een hit, met de swingende Harold Melvin cover ‘Don’t leave me this way’. De secretaris vindt zelf het serene ‘So cold the night’ zelf het hoogtepunt uit de Communards tijd. Sommerville hield het wederom snel voor gezien en startte een solocarrière. Uit dat gedeelte is ‘To love somebody’ uit 1990 zijn grootste wapenfeit.
Sommerville heeft indertijd op veel sympathie kunnen rekenen van de jeugdige secretaris en zijn ouwelui. Met zijn kleine gestalte, rossige haar, zijn aandoenlijke dansjes en muzikale gedrevenheid leek hij de ideale opwekker van mededogen. Daarnaast, zeker niet onbelangrijk, wortelde Sommerville bij de secreatris en zijn moeder een enigszins stilzwijgend support voor de homobeweging. En dat is misschien ook wel wat de inmiddels 50-jarige Britse artiest liever wilde bereiken dan artistieke roem.
Sommige bands hebben eerst een metamorfose nodig om door te breken. In 1976 wordt de band ‘The Cut’, later ‘The Makers’ betiteld, opgericht door zanger/ tekstschrijver Gary Kemp en gitarist Steve Norman. Na enkele aanvullingen (o.a. met zanger Tony Hadley) en wisselingen verandert ook hun muziekstijl én imago. Aanvankelijk doet de band denken aan The Rolling Stones, maar deze sound wordt vervangen door de zogenaamde ‘New Romantics’ stijl. In 1979 resulteert dit in de uiteindelijke naam Spandau Ballet, genoemd naar de beroemde Berlijnse wijk.
De heren laten de extravagante pakken in de kast en steken zich voortaan in nette kledij, wellicht geïnspireerd door succesvolle, goed geklede voorgangers als Bryan Ferry en Robert Palmer. Of deze omslag de doorbraak forceert is niet duidelijk, maar feit is wel dat in de jaren ’83/’84 nummers als ‘Gold’, ‘True’ en ‘Only when you leave’ de hitlijsten bestormen. Niet iedereen valt als een blok voor Spandau Ballets synthpop: sommige muziekliefhebbers bestempelen het oeuvre van de Britse popgroep als goedkoop en inhoudsloos.
De secretaris meent dit toch anders te moeten beoordelen. De sound van Spandau Ballet klinkt lekker smooth en maakt juist een goed verzorgde indruk. Sterk punt zijn met name de sax-partijen van Norman die aan enkele nummers een ontspannend intermezzo toevoegt. Okay, zanger Tony Hadley komt misschien wat hijgerig en overdreven ernstig over, maar heeft wel degelijk een uitstekende stem. Dit bewees hij overigens jaren later ook tijdens zijn gastoptreden bij de ‘Night of the Proms’.
Eind jaren tachtig gaat de band door gebrek aan blijvend succes en interne strubbelingen ten onder, maar niet voordat hun allermooiste nummer verschijnt. In 1986 brengt de groep ‘Through the barricades’ uit, waarvan alleen al het beheerste, opbouwende intro de moeite waard is:
Van welke artiest had u als eerste een poster op de slaapkamer hangen? Vlak voor de doorbraak van Wham! wedijverden Doe Maar en de Stray Cats om een plekje op de muren bij de secretaris. Het moet ergens in 1982 zijn geweest. Mede door de sterke invloed van de videoclips en Toppop zat de 5-jarige secretaris al dan niet als imitator cq playbacker voor de buis. Doe Maar is achteraf geen gekke keuze, maar hoe kwam de voorkeur voor de Stray Cats tot stand?
De Stray Cats is een in 1979 opgerichte groep uit Long Island. In eigen land hadden ze aanvankelijk weinig succes. In Europa sloeg hun rockabilly sound echter veel beter aan. Het trio scoorde daar begin jaren ’80 met pakkende nummers als ‘Stray cat strut’, ‘Rock this town’ en ‘Runaway boys’. De secretaris dacht dat hij helemaal niet zo van rockabilly hield, maar 30 jaar na dato geniet hij nog steeds van de contrabas die het Amerikaanse trio zo mooi vervlechtte in hun songs.
De recente onlusten in het Engelse straatbeeld deden de secretaris terugdenken aan de Stray Cats. Hun nummers handelen opvallend vaak over rondhangen op straat en een beetje relletjes schoppen. Hun punkachtige uiterlijk maakt het rebelse overkomen van de groep compleet. Maar zoals de bandnaam al doet vermoeden, blijft het vooral bij kattekwaad.
De katten verloren na verloop van tijd niet hun haren, maar wel hun streken. De rockabilly-hype raakte op zijn retour en de successen van de Stray Cats droogden op. Zanger Brian Setzer bleek echter meerdere muzieklevens te hebben. Hij richtte een heuse bigband op, The Brian Setzer Orchestra. Dit jaar haalt hij met zijn tournee ‘Rockabilly Riot’ herinneringen op aan zijn periode bij de Stray Cats. Als we de recensies mogen geloven, rockt de vijftiger er nog aardig op los!
Er is een kleine groep artiesten en bands die door hun invloed en populariteit samen als het ware de ‘eighties’ hebben gedragen. Uiteraard horen Madonna, Prince, Michael Jackson en ook de Dire Straits hierbij. De band die nog wel eens vergeten wordt -of is het onderschatting?- , is Level 42, ofschoon de Britse formatie in dit rijtje in tweede instantie zeker genoemd mag worden. Level 42 is niet een popgroep waar je na één nummer direct idolaat van wordt, maar zet hun oeuvre bij elkaar en je komt tot de conclusie dat ze een heel aardige en kwalitatief goede reeks hits hebben neergezet.
Level 42′s muzikale dadendrang omvat het hele decennium: in 1980 werd de band opgericht door Mark King, Mike Lindup en de broers Phil en Rowland Gold. Een jaar later al volgt de eerste hit: ‘Love games’ (5e plaats in de top ’40). In die periode leunt Level 42 op zijn geraffineerde jazzfunksound, maar op de volgende albums verschuift de focus naar mainstream popmuziek. Midden jaren ’80 rijgt men de successen aaneen: nummers als ‘Hot water’, ‘Lessons in love’ and ‘Running in the family’ bestormen de hoogste regionen van de hitlijsten. De broertjes Gould hebben in die tijd de band al verlaten en worden vervangen door wisselende muzikanten. De eerste fricties dienen zich aan, hetgeen uiteindelijk tot het einde van de groep leidt in 1994.
Level 42 heeft het altijd moeten hebben van een continu goed niveau zonder echte uitschieters. Ook de leden zelf moesten het niet hebben van hun woest knappe uiterlijk of extravagante uitstraling. Toch bood de band een tweetal aansprekende kwaliteiten: frontman Mark King wordt nog steeds beschouwd als één van de beste basgitaristen ter wereld, mede befaamd om zijn left hand slap. Daarnaast heeft de innemende toetsenist Mike Lindup een mooie kopstem die uitblinkt op onder andere ‘Something about you’, maar ook zeer goed past in combinatie met King.
Kortom: Level 42 verdient een substantieel plekje in de pophistorie. Overigens zijn ze momenteel op tournee vanwege hun 30-jarig jubileum. Zou Mark King na al die jaren geen RSI-hand hebben gekregen?
Songs from the Big Chair, dat was de eerste echte cd van de Voorzitter. Het moet rond 1992 geweest zijn toen ik deze aanschafte bij een kleine platenzaak in het oosten des lands.
De new wave band Tears for Fears, die bestond uit het duo Roland Orzabal en Curt Smith, was afkomstig uit het Engelse Bath. De naam van de groep is afgeleid van de ‘Primaltherapie’ van Arthur Janov (John Lennon was een fan van deze therapie waarbij wordt aangemoedigd te schreeuwen en huilen en zo je gevoelens te uiten …).
Tears for Fears maakten de hoogtijdagen van het videotijdperk mee. De eerste video Mad World (van het album The Hurting uit 1983, een slap aftreksel van het nummer is tegenwoordig bekender) heeft een vervreemdend effect. Shout is de eerste hit van de mannen (het prijkte lang op nummer 1) en werd voorzien van een eclectische video (met memorabele gitaarsolo na 4.25/4:29 min.).
De video en melodie die mij het meest bijblijft en doet terugverlangen naar de onbezorgde jeugdjaren is Everybody Wants to Rule the World.
Grappig is dat bij twee van de hiervoor genoemde nummers Curt Smith de vocalist is, terwijl Roland Orzabal de officiële frontman is. De Voorzitter las ooit een recensie waarin Orzabal werd verweten dat hij zong als een zeehond die op zoek is naar zijn moeder. Maar goed, dat terzijde.
In 1993 volgde het album Sowing the Seeds of Love, een bestseller met o.a. het nummer Woman In Chains, waar zangeres Oleta Adams een waardevolle bijdrage aan leverde.
Toen ging het bergafwaarts met de band. Orzabal en Smith gingen uit elkaar na een muzikaal en astraal conflict. Orzabal bracht nog een aantal albums uit in de jaren negentig en kreeg zowaar nog een hit met Break it Down Again.
In 2004 was het tijd voor een reünie, de band bracht een nieuw album uit en toerde weer een tijd.
Tegenwoordig is Curt Smith een redelijk succesvol solo-artiest en zo nu en dan treedt Tears for Fears nog op.
Eigenlijk volgt de band het standaardpatroon van een succesvolle band uit de jaren 80; succesjaren – terugval/opsplitsing – reünie – greatest hits tour. Kent u een band die het is gelukt zichzelf te blijven vernieuwen (ik denk aan U2, hoewel ik steeds sceptischer word ten aanzien van hun mega-tours)?
Met het schrijden der jaren verandert de muziekvoorkeur lichtelijk. Het gehoor van de secretaris is steeds ontvankelijker gaan worden voor jazz, mede geïnstigeerd door de doorbraak van Caro Emerald. Met deze recent ontwikkelde smaak kan hij de eighties-muziek met nieuwe oren beluisteren. Daarbij stuitte hij op de nooit echt doorgebroken Thomas Dolby. In 1984 scoorde hij een bescheiden hit (hoogste top 40-positie was 24) die wellicht meer opviel door de bijzondere titel, ‘I scare myself’.
De secretaris herinnerde zich dit nummer nauwelijks meer, totdat hij het onlangs bij toeval afspeelde op youtube. Kennelijk heeft hij ruim 25 jaar liggen slapen, want het is een prachtig beheerste song die pop en jazz mooi combineert. De clip is eenvoudig, maar zo treffend en heerlijk rustig. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om.
De setting: een donkere jazzclub met kaarsjes op tafel; een ingetogen publiek met waarschijnlijk een subtiele wijn, port of sherry. De act: een gepassioneerde zanger achter de piano, een onopvallende achtergrondzangeres met klassieke microfoon, een Spaans klinkende gitaar en een magnifieke solo van de trombone. Het nummer duurt ruim 5 minuten, maar 3 erbij zou absoluut geen straf zijn geweest:
Dolby heeft dit nummer niet zelf bedacht; het origineel is van singer-songwriter Dan Hicks. Dolby verdween redelijk snel van het toneel, maar is zeker niet zonder talenten. Hij bespeelt diverse instrumenten en bedient zich van verschillende muziekstijlen. Daarnaast produceert Dolby muziek en muzieksoftware en, in het laatste decennium, ook ringtones. Sinds 2001 – een leuk feitje voor de beschermheer- is Dolby musical director van de TED Conference in Californië.