Wat een uitstekend idee van de NUt-secretaris, om te schrijven over memorabele wielerverhalen. In dat kader mag onderstaand verhaal niet ontbreken. Ooit goed voor een prijs in een verhalenwedstrijd, en van A tot Z waar gebeurd. Let wel, niets ervan mag zonder toestemming van de auteur gekopieerd, gereproduceerd en gedistribueerd worden. Contact opnemen kan via dit mailadres.
Ik sta aan de start van de Grand Prix van een onbeduidend dorpje in de Hérault en vlak voor mij glimmen de overvloedig ingevette benen van een concurrent in het felle licht van de zon die onlosmakelijk verbonden is met deze Franse streek. Om mij heen klinkt een zacht gegons van zuidelijke klanken, renners schudden elkaar de hand en lachen ontspannen. Blijkbaar ben ik de enige die zenuwachtig is zo vlak voor de start. Gek, want anders ben ik nooit zenuwachtig en lijken alle anderen het des te meer te zijn.
Maar vandaag is alles anders. Vandaag immers lijkt alles mee te zitten. Vandaag namelijk, voert het parkoers ons tienmaal over twee klimmen die ik ken van mijn trainingsrondes en waarvan ik weet dat ze me liggen. Vandaag bovendien, is het zo warm als ik het graag heb. Vandaag ook, verkeer ik in de beste vorm die ik ooit heb gehad, het resultaat van keiharde trainingsarbeid. Vandaag tenslotte, zijn enkele serieuze concurrenten niet op komen dagen. Vandaag dus, kan ik winnen.
De gretige, corpulente burgemeester die ons het startschot moet geven staat zo enthousiast en onhandig met zijn schietijzer te zwaaien dat ik hoop dat er geen kogel uit kan komen, hoewel “wielrenner neergeschoten voor start” mij een aardige kop voor een krantenartikel lijkt.
Het daverende pistoolschot waar hij zo te zien al de hele dag naar had uitgezien lijkt echter meer op de droge plop waarmee een kurk uit een wijnfles schiet. Tijd om de teleurstelling bij de goede man te peilen heb ik niet want het peloton zet zich in beweging en stevent op de eerste klim aan.
In tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s, hebben Franse wielrenners niet altijd haast. “Het is warm, de lunch is nog niet verteerd en we moeten die teringklim tien keer op, dus we kunnen de krabbers er in de negende ronde ook nog wel af rijden”, denken ze soms. En dus gebeurt er de eerste twee rondes niet veel. Nummer 19 heeft een demarrage geplaatst en rijdt alleen 100 meter voor het peloton uit. Het publiek reageert enthousiast, maar wij weten allemaal dat nummer 19 een kansloze prutser is die te vroeg alleen is weggegaan en daar alleen rijdt bij de gratie van het peloton dat hem dit feestje wel gunt. Behalve een waardeloze pannenkoek op de fiets is nummer 19 namelijk ook een hele aardige huisvader met een gouden glimlach en vrouw en kinderen langs de kant van de weg.
In de derde ronde daarentegen gebeurt er des te meer. Ik reageer op een demarrage tijdens de klim en we rijden nu vol omhoog. Mijn longen juichen, mijn benen kraken. Dit is geen opwarmingsdemarrage meer, wie nu niet mee kan is gezien. Nummer 19 wordt bijgehaald en meteen gelost, zijn tong uit zijn bek als een kwijlende hond. Op de top nemen we even de tijd om te kijken wat we aangericht hebben. De schade is aanzienlijk, acht koplopers en het gat dat we geslagen hebben op het verbrokkelde peloton is behoorlijk.
We hebben elkaar snel gevonden en werken uitstekend samen. Allemaal voelen we instinctief aan dat dit de goede slag is. Veel praten doen we niet. Op het vlakke gedeelte aan de achterkant van het parkoers trotseren we gezamenlijk de wind. Ik kom achter nummer 14 uit en neem de kop over gedurende een vijftigtal meters. Niet te hard, laat de anderen het werk maar doen, ik moet straks immers nog winnen. Nummer 37 glijdt langs mij heen om zijn deel van het werk te doen. Hij heeft een belachelijk geel-roze shirt aan waar groot LECLERC op staat. “Monsieur Leclerc”, zeg ik tegen mezelf, jij hebt een lelijk shirt aan! Als ik zo’n lelijk shirt aan zou hebben, monsieur Leclerc, zou ik me kapot schamen!” Ik besluit dat als ik niet win vandaag, alle anderen mogen winnen behalve nummer 37 met zijn vloekende tricot.
De ronden zijn voorbij gegleden in een roes. Tim Krabbé schreef ooit dat deel uit maken van een kopgroep een bijna net zo mooi gevoel geeft als winnen. Ik weet niet of het komt doordat je fietst in het middelpunt van de belangstelling of doordat je zeker bent van een redelijke kans op de overwinning, maar een gelukzalig gevoel geeft het zeker. We rijden de laatste ronde in en ik heb mijn plannen klaar. Ruim tien kilometer en twee klimmen nog te gaan en zeven tegenstanders om te verslaan. Gelukkig zitten die niet allemaal nog even fris heb ik al wel gezien. Wie niet kan sprinten moet aanvallen, zeggen ze altijd. Dat wordt dus aanvallen. Ik sprint namelijk als een strijkijzer.
Ik wik en weeg. Aanvallen op de eerste of de tweede klim? De eerste klim is steiler en langer en dus beter geschikt, maar de top ligt op bijna tien kilometer van de finish en dus moet ik – als het al lukt om weg te komen – tien lange kilometers alleen door de wind. En tijdrijden kan ik al net zo slecht als sprinten…
Ik besluit toch de gok te wagen. Als ik halverwege de klim aanga voor een alles of niets demarrage, vindt mijn lichaam dat helemaal niet leuk. De 53 x 19 die ik rondpomp veroorzaakt overal heftige pijnen. Het bewustzijnsveld van een wielrenner in volle inspanning is klein, maar de reacties van het publiek maken duidelijk dat mijn zelfpijniging niet voor niets is. Nog driehonderd meter naar de top en ik kijk voor het eerst om. In mijn wiel zit één renner, op 40 meter hangt een tweede. De rest is weg. Ik sis tegen mijn tegenstander dat hij over moet nemen. In het Nederlands, maar hij lijkt het toch te begrijpen want hij doet braaf wat ik zeg. Ik kijk nog een keer om. De derde man blijft op veertig meter hangen. “Shit”, zeg ik bij mezelf, “als dat gat niet groter wordt komt die pipo direct in de afdaling nog terug ook.”
Mijn compagnon rijdt niet hard genoeg vind ik, dus geef ik er zelf, ondanks mijn hevig protesterende lichaam, nog een snok aan. Op de top kijk ik om en zijn we onze achtervolger kwijt.
In de afdaling heb ik tijd om bij te komen en na te denken. Ik probeer mijn tegenstander, die een halve kilometer geleden nog mijn compagnon was, in te schatten. Kan hij goed sprinten? Ik weet het niet, maar langzamer zijn dan ik valt niet mee, dat weet ik wel. Dalen kan hij in ieder geval niet, zie ik. Zal ik proberen hem kwijt te raken in deze afdaling? Nee, ik heb hem nog nodig als windvanger op het vlakke stuk. Maar kijk nou toch hoe klungelig hij de bochten aansnijdt! Direct moet hij nog een keer zo hard op de rem dat zijn achterwiel zijn voorwiel inhaalt!
De onhandige manier waarop hij zich door de bochten wringt brengt me op een idee. De laatste bocht is een scherpe, ligt op 250 meter van de streep en vormt behalve het begin van de finishlaan tevens het einde van de laatste afdaling. Als ik daar nou eens van kop af aan met een aan suïcidale neigingen grenzende snelheid doorheen knal, misschien heb ik dan genoeg voorsprong om het te redden tot de streep.
De ploegleiderswagen van mijn tegenstander – een knalrode Ferrari, echt waar! – schuift langs me heen. Heftig gebarend probeert de man mij over te halen om zijn renner te laten winnen. Ja, dank je de koekkoek. Ik doe alsof ik hem niet versta. De man begrijpt de hint niet en schreeuwt nog wat harder. “Je ne parle pas français!” lieg ik dan maar om van zijn gezeur af te zijn.
Mijn tegenstander kijkt verbaasd als ik met alle geweld op kop wil rijden in de laatste kilometer. Misschien wrijft hij zich zelfs in zijn handen van plezier omdat hij denkt dat ik de sprint van kop af zeker ga verliezen. Ik neem de bocht niet zo perfect als ik gehoopt had en mijn voorsprong is kleiner dan voorzien, maar ik geef alles en schiet met een meter voorsprong de streep over. Handen in de lucht, een kreet. Mijn vriendin, die de betrekkelijkheid van dit soort wielerkoersen veel beter in kan schatten als ik, feliciteert me glimlachend.
Mijn eerste overwinning! Ik ben er erg blij mee, de organisatie niet. Als ik me meld bij de huldiging vinden ze het kennelijk zo zuur dat die verrekte vakantieganger uit Nederland hier met de hoofdprijs gaat lopen, dat ze besluiten nummer twee te huldigen. De Europese gedachte waarmee ik ben uitgenodigd om in de nabijgelegen stad Montpellier te komen studeren is soms nog ver te zoeken in de wielersport (Ik ben dus niet eens een vakantieganger). Ik ga uiteraard protesteren, hierbij zowaar geholpen door enkele Franse tegenstanders. Nummer twee kijkt me verontschuldigend aan en weet ook niet wat hij met de situatie aan moet. Pas na lang delibereren krijg ik beker en bloemen overhandigd. Het zure randje dat nu aan de overwinning kleeft is zo groot geworden dat ik overweeg de rondemiss geen kussen te geven.
Als ik een week later dit onwaarschijnlijke verhaal vertel aan enkele Franse wielervrienden, zijn ze in het geheel niet verbaasd. “Was het hoofd van de jury misschien een dik mannetje met een snor?” Dit was inderdaad het geval geweest. “Oh, met die kerel is het altijd wat. Hij flikt dit soort kunstjes elke week. Il n’est pas de cette planète, c’est un extra-terrestre…”
Shit, heb ik weer, een buitenaards wezen als hoofd van de jury.