Post Tagged ‘tourcolumn’

Étape 21: L’arrivée

zondag 26 juli 2009

Étape 21: Montereau-Fault-Yonne – Paris Champs-Elysées: 164 kilomètres

Zo’n laatste etappe stelt natuurlijk niet echt wat voor. Beetje wandelen naar het centrum van Parijs en daar een leuk sprintje. De echte strijd is allang gestreden. Alberto Contador heeft voor zijn indrukwekkende zege slechts zeven kilometer aan hoeven vallen. Hij heeft de rest werkelijk geplatzerwaseld.

Je zou toch denken dat die Tourrenners het na drie weken wel even gehad hebben met dat gefiets. Als het meezit beginnen de wonden van die valpartij in de eerste week verdorie eindelijk een beetje te genezen. Eenentwintig etappes lang je lichaam slopen en dan ook nog elke ochtend naar het gezever van je ploegleider moeten luisteren. Elke dag ‘s morgens pasta en ‘s avonds pasta, lekker. ‘s Nachts wakker gehouden worden door de snurkende ploeggenoot naast je, hoera. Een normaal mens zou juichend naar huis vertrekken en het er eens een paar weken goed van nemen.

Maar ja, wielrenners zijn natuurlijk geen normale mensen. Steven de Jongh lepelde desgevraagd even zijn werkzaamheden voor de komende week op: “Boxmeer, Acht van Chaam, Wateringen, Heerlen en dan ben ik een weekend vrij. Oh nee, zondag moet ik Buggenhout rijden, dus ben ik niet vrij.” Juistem, morgenavond staat het eerste criterium dus al op het programma. Eerst een paar uur handtekeningen uitdelen aan allerlei malloten. Dan de handen schudden van de burgemeester, de notaris en de hoofdsponsor, die meestal nog stinkt naar zijn onderneming in riooltechniek. Vervolgens met je uitgewoonde lichaam en geest honderdtwintig kilometer rondjes rijden over klinkers, langs stinkende biertenten en loeiende boxen met stuiterende kermismuziek. Daarna doodop met de auto naar huis, om daar ver na middernacht aan te komen. En dat twee weken lang. Wat een leven, wat een pret.

Ik zou het persoonlijk wel weten. Leuk die criteriums, maar mij niet gezien. Geld is ook niet alles. Ik huurde mooi een huisje met een leuk zwembad erbij in de Franse Alpen. Mijn fiets liet ik mooi thuis. Een week lang ging ik in mijn zwembroek op de badrand zitten. Mijn benen legde ik naast me neer, die had ik toch even niet nodig. In het zonnetje zou ik lekker dagenlang naar de bergtoppen staren. De wetenschap de hele week daar niet naar boven te hoeven fietsen, heerlijk.

Étape 20: Midlife Mountain

zondag 26 juli 2009

Étape 20: Montélimar – Mont Ventoux 167 kilomètres

Nog niet zo lang geleden fietste een kale man de Ventoux op. Tussen de mistflarden door kon je even denken dat het Marco Pantani was, als Jezus opgestaan uit de dood en bezig aan een herhaling van de Kruisweg van het Cyclisme. Wie iets beter keek, zag dat het Wilfried de Jong was, schrijver, televisie- en theatermaker. Hij werd vijftig en dus was het de hoogste tijd om, samen met wat vrienden en zijn zoontje, de Reus van de Provence op te zwoegen. Of de Monte Ventoso. Of de Kale Puist. Of de Mythische Berg. Geen berg die zoveel bijnamen heeft als de Mont Ventoux.

Wilfried de Jong staat niet alleen. Reed ik bij mijn eerste beklimming in 1996 nog alleen door het verschrikkelijke naaldbos, dik tien jaar later werd ik omgeven door talloze oefenvijftigers*. In de zomermaanden wagen elke dag gemiddeld 1500 mensen een poging om de Mont Ventoux te beklimmen. Dik, dun, getraind, grijs, kaal, op mountainbikes, op waanzinnig dure racefietsen en verkerend in alle gradaties van fysieke conditie.

Veel van hen zijn landgenoten. Nederlandse mannen van middelbare leeftijd trekken massaal naar de Provence om daar met de fiets de berg te beklimmen. Zij zullen wel eens eventjes laten zien dat papa weliswaar elke zondagmiddag op de bank in slaap valt, maar dat er nog altijd rekening gehouden dient te worden met zijn fantastische karakter en prestaties. Zijn ooit gespierde torso telt inmiddels een paar zwembandjes te veel, maar een paar weekjes trainen en hij is zo weer in vorm! Voor deze types is de Ventoux de ideale berg. Exact ver genoeg van huis. Als de Ventoux in de Ardennen gelegen had, was hij toch iets minder heroïsch geweest. Disneyland Parijs klinkt ook stoerder dan de Efteling. terwijl de laatste zeker zo leuk is. En ook weer niet te ver weg, op en neer precies te doen in een lang weekend. Goed bereikbaar bovendien vanaf de snelweg, zodat er geen al te ingewikkelde toeren uitgehaald hoeven te worden met de lease-Volvo, de Twinny Load installeren is immers al moeilijk genoeg.

Op de flanken, in het unieke maanlandschap, wacht de dramatiek. Tommy Simpson is hier immers tijdens de beklimming doodgegaan. Niet figuurlijk, maar letterlijk. Wie wél bovenkomt, al doet hij er de hele dag over, heeft dus een beetje de dood verslagen. En wie boven niet aan het zuurstof hoeft, doet het beter dan jeugdheld Eddy Merckx. Anderzijds is de Ventoux ook weer niet té lastig. De Alto del Angliru en de Passo di Mortirolo zijn bijvoorbeeld veel steiler. Bij de Ventoux lopen de heren geen al te grote kans dat zij thuis op kantoor moeten liegen over het resultaat. Je zult toch maar opschepperig met dat vastomlijnde doel helemaal naar Zuid-Frankrijk rijden en dan niet boven komen. Zie dan de sales targets voor volgend jaar nog maar eens geloofwaardig te presenteren. Mannen die helemaal de weg kwijt zijn, verhalen over een spirituele ervaring. Hou toch op, met je tong tussen je ketting een kale berg op zwoegen, daar is niks spiritueels aan. Dat heet gewoon afzien.

Laatste grote pluspunt van de Mont Ventoux: aan de voet liggen talloze wijnboerderijen, zodat de overwinning gevierd kan worden met een aantal goede glazen Côtes du Ventoux. De Nederlander van middelbare leeftijd lust ‘m namelijk wel, zo heeft onderzoek recentelijk uitgewezen.

Vraag: wat willen al die kerels toch bewijzen? Antwoord: dat zij weliswaar niet meer zo’n harde erectie hebben als vroeger, maar dat zij wel degelijk nog een lichamelijke prestatie van formaat kunnen leveren. Zoals gezegd, geen berg met zoveel bijnamen als de Mont Ventoux. In Vrij Nederland dook enkele weken terug de meest treffende op. Midlife Mountain. En zo is het.


* Woord geleend van Volkskrant-columnist Wim de Jong, vermoedelijk geen familie van.

Étape 19: Gevangen

vrijdag 24 juli 2009

Étape 19: Bourgoin-Jallieu – Aubenas 178 kilomètres

Je kunt gevangen zitten in het ploegenspel, zoals Alberto Contador gedurende twee weken Tour de France. Maar je kunt ook écht gevangen zitten. In de bak, de lik, de nor of – in mooi frans – het cachot. Dan valt er weinig te fietsen, zou je denken. Dat valt echter mee. Zo werd er voorafgaand aan de echte Tour de France een Tour de France voor gevangen georganiseerd. Zo’n 200 gedetineerden fietsen 2200 kilometer in 14 etappes, daarbij begeleid door een karavaan van gevangenisbewaarders. Ontsnappen uit het peloton zal wel uit den boze geweest zijn.

De bedoeling van zo’n delinquententour is natuurlijk dat er wat gebeurt met al die slechte karakters in dat peloton. Een paar duizend kilometer afzien zou louterend moeten werken. Het scheen te lukken.”Er is sprake van groeiende solidariteit en we helpen elkaar heel veel”, sprak de 20 jarige deelnemer Jimmy.

Nu het bezit en het gebruik van doping in steeds meer nationale wetgevingen strafbaar gesteld wordt, kunnen we nog heel wat pret gaan beleven met deze vorm van Tour de France. Moet je voorstellen welke kwaliteit het deelnemersveld op dit moment zou kunnen herbergen: Thomas Dekker, Alexander Vinokourov, Michael Rasmussen, Roberto Heras, Ricardo Riccò, Davide Rebellin, Emanuele Sella, Bernhard Kohl en Leonardo Piepoli bijvoorbeeld. En afgelopen week nog is Danilo di Luca gecontracteerd. Ik pleit voor een extra wild card in de echte Tour in 2015. Dan stellen we een team samen van de renners die inmiddels strafrechtelijk vervolgd en schuldig bevonden zijn voor gedoe met doping. Manolo Saiz wordt ploegleider, Eufemiano Fuentes de teamarts. En ze dragen streepjestruien.

Alle gekheid op een stokje, ik vind de Tour de France voor gedetineerden een komisch project. Als een mens ergens slecht van wordt, is het wel wielrennen. Neem nou mijzelf. Van nature een brave borst van de planche supérieure. Opgevoed door een vader en een moeder die beide in het onderwijs zaten, dan weet je het wel. Maar eenmaal op een racefiets veranderde ik automatisch in een eersteklas slechterik. Ik heb concurrenten een oor aangenaaid, deelde zonder een spoor van wroeging een kwak uit als het moest en liet expres gaten vallen. Ik profiteerde van anderen waar het maar kon en voerde theaterstukken op die bekroond hadden kunnen worden met een Louis d’Or. Als anderen vielen, maakte ik me over hun verwondingen totaal geen zorgen. Ik dacht enkel: mooi, die zijn we vast kwijt.

Alleen doping heb ik nooit gebruikt. Als ik dat vertel, gelooft niemand me. Het bewijs dat ik aandraag is traditioneel. Ik ben in mijn carrière één keer gecontroleerd. En nooit positief bevonden.


Étape 18: Longo en Lance: Anneciens

donderdag 23 juli 2009

Étape 18: Annecy – Annecy: 40.5 kilomètres

Lance Armstrong twitterde het al: Annecy is may be one of the prettiest spots in France. Zo zie je maar, het verstand komt met de jaren. Toen Lance nog vooraan in de twintig was had hij enkel oog voor mooie dames als Daniëlle Overgaag en snelle auto’s. Kennelijk heeft hij nu ook aandacht voor cultuur, want Annecy is niet alleen het decor van de 40,5 tijdritkilometers van etappe nummer 18, het is ook een schitterende stad aan een diepblauw meer. Het heeft een werkelijk prachtig en zeer gezellig middeleeuws centrum, dat qua karakter slechts overtroffen wordt door één van de meest bekendste inwoonsters: de onvermoeibare Jeannie Longo.

Als het verstand inderdaad met de jaren komt, dan is Jeannie Longo ongetwijfeld een zeer verstandig wielrenster. Kunt u zich de duels die ze uitvocht met onze eigen Leontien van Moorsel nog herinneren? Met prachtige sur places probeerde ze Tinus in de Tour Féminin tevergeefs uit haar evenwicht te brengen tijdens de beklimming van l’Alpe d’Huez. Had u toen al het gevoel dat die Jeannie Longo een oude heks was? Dat klopt, in ieder geval dat van dat oude dan. Begin jaren negentig was zij namelijk al ruim over de dertig. Nu is ze de vijftig voorbij en nog steeds fietst ze op hoog niveau.

Of Longo ook een heks is, daar zijn de meningen over verdeeld. Longo zelf vindt van niet, de rest vindt van wel. Een dergelijk gebrek aan populariteit zal zijn redenen wel hebben. Ze schijnt een eigenwijze en humeurige tante te zijn, die altijd haar eigen plan trekt. Fransen hebben een mooi woord voor dit soort karakters: glaciale. Ik vind dat dit soort mensen juist onze sympathie verdiend. Ze brengen met hun eigenheid en eigenaardigheid kleur in ons bestaan. Wat zouden de smurfen zijn zonder de moppersmurf?

Veel van de antipathie in de richting van Jeannie Longo zal wel berusten op frustratie en jaloezie. Zo leuk is het immers niet om verslagen te worden door een vijftigjarige. Dit jaar nog werd ze nationaal kampioen op de tijdrit! Dan moet je toch wel een heel pittig karakter hebben. Ik vermoed dat aan de mannelijke zijde van de sport alleen Lance Armstrong, daar is hij weer, net zo koppig is.

Ergens zit een connectie tussen die twee. Lance Armstrong houdt van Annecy en ergens anders lees ik dat Jeannie Longo uit Annecy ereburger is van de Amerikaanse staat Texas. Beide zijn oud, fietsen hard en maken zelf wel uit wanneer ze stoppen. Toeval bestaat niet. De inwoners van Annecy worden Anneciens genoemd. Als je dat snel uitspreekt hoor je anciens: oudgedienden. Gisteren maakte Lance bekend dat hij er volgend jaar nog een jaartje aan vastplakt. Voor wie een hekel aan hem heeft: hij is nog lang geen vijftig. Ik wens u veel sterkte de komende twaalf jaar.

Étape 17: Underdog Kenny

dinsdag 21 juli 2009

Étape 17: Bourg Saint Maurice – le Grand Bornand: 169.5 kilomètres

Benieuwd of Kenny van Hummel morgen wéér op tijd binnenkomt. Dag na dag rijdt hij eenzaam voor de bezemwagen, die in het Frans ook gewoon voiture-balaie heet trouwens, uit. De sprinter uit Elden worstelt zich elke dag over de cols, moet al voor het einde van de neutralisatie lossen, of bijwijze van spreken dan, maar slaagt er toch steeds in om nét binnen de tijdslimiet binnen te komen. Gewoon te zwaar zou je denken. Maar volgens zijn eigen website weegt hij slechts 68 kilogram en nog een paar van zulke dagen en hij haalt de 50 niet meer.

Het aardige is: heel Nederland leeft mee met Kenny. Bij gebrek aan Nederlanders die een hoofdrol spelen is hij een dankbaar publiciteitsobject. Van Hummel is goud waard voor zijn sponsors. Al die journalisten moeten toch érgens over schrijven, want de 28e plaatsen van Ten Dam zijn best knap, maar boeien mevrouw Van Zetten uit Tiel, als ik dat zo mag zeggen, ja dat mag ik, mag ik dat ook van jou Nico Dijkshoorn, nou ja ik doe het maar gewoon, niet langer dan een paar minuten.

Een paar minuten. Dat is ook wat Kenny van Hummel elke keer overhoudt aan de streep. En dat is ook wat Kenny van Hummel inhaalt bij elke afdaling. Het is allemaal buitengewoon knap. In je eentje vang je zoveel meer wind dan in het peloton, dat je razendsnel tijd verliest. Aangezien er altijd wel een jurylid bij zo’n eenzame achterblijver komt neuzen, kan hij niet te veel achter en aan de auto gaan hangen. Om in zo’n eenzame strijd maar een kwartiertje of drie te verliezen is eigenlijk zeker zo knap als gewoon niet lossen, bedenk ik me nu.

Kijken we naar de achterstand die Van Hummel als rode lantaarn inmiddels opgebouwd heeft in het algemeen klassement op griezelig perfecte types als Alberto Contador en Andy Schleck, dan praten we eerder over een paar uur. Die jongens staan elke dag okselfris de pers te woord. Gele of witte trui aan, petje op. Lekker etappe vandaag, niks geleden, morgen gaan we aanvallen. Maar vanavond eerst een beachvolleybal toernooi met de mecaniciens. Is goed voor de team spirit.

Nee, dan Kenny. Elke dag wordt hij opgewacht door de NOS bij de eindstreep. “Wanneer werd je gelost Kenny?” Van Hummel kijkt wazig op van zijn stuur en zegt op z’n Eldens: “Woah…na een kilometer of twintig moest ik er af. Mijn benen wilden niet meer, maar mijn kop zei jij gaat godverdomme naar die streep.” Om zich vervolgens nog keurig te verontschuldigen voor die beschaafde vloek ook. Heel Nederland zit te genieten. Onze Kenny, wat een knokker. En wat een fijn team, heel anders dan die duurbetaalde Rabobankjongens. Kenny van Hummel krijgt op het einde van het seizoen alleen een doos bananen voor de winter en een shirtje voor volgend jaar, dat zie je zo.

Skil-Shimano profileert zich sinds het begin van de Tour al als een bescheiden team, maar Kenny van Hummel is de ideale underdog. Hij kijkt er zelfs bij als een trouwe hond.

Étape 16: Fietsen voor de lol

maandag 20 juli 2009

Étape 16: Martigny – Bourg Saint Maurice 159 kilomètres

Je zou het soms niet zeggen, maar al die jongens die naar Bourg Saint Maurice zwoegen zijn ooit begonnen met wielrennen omdat ze het leuk vonden. Fietsen voor de lol dus. Nou, bij de jongens van Rabobank is de lolin het fietsen inmiddels ver te zoeken. De Russische kopman is geknakt, de ploeg zelfs mentaal kapot volgens de normaal toch altijd optimistisch gestemde ploegleider Erik Breukink. En nou heeft het kleine Skil-Shimano ook al meer verdiend aan prijzengeld. Vanwaar deze miserie? Welnu, niets gaat zo als het moet bij het team. Denis Menchov volledig uit vorm, Robert Gesink met een polsbreuk naar huis, Laurens ten Dam gebroken na een valpartij en Stef Clement zijn beste kruit verschoten in de Dauphiné. Trouwens iedereen behalve Oscar Freire is al tegen de grond gegaan. Maar goed, Oscarito kreeg een kogeltje in één van zijn formidabele sprintersbillen, dus hij heeft zijn portie ellende óók al gehad. Lijkt me leuk om de altijd nette Breukink ‘s morgens op zijn manier een donderspeech te zien geven in de bus. “Kom op jongens, maak er een hele mooie sportmiddag van!”

Tja, vervelend hoor. Net in de belangrijkste wedstrijd van het jaar lukt er niks. Daar word je niet vrolijk van. En daar worden de resultaten dan weer niet beter van. Een schrale troost voor de Rabobankjongens: uit eigen ervaring weet ik dat een al te jolige stemming ook niet best is voor de resultaten.

Ik reed bijvoorbeeld eens met mijn broertje met de auto naar een kermiskoers in België. Leuk rondje, beetje heuvelop, beetje heuvelaf: het leek ons wel wat. Maar eerst moesten we even inschrijven in het lokaal van de plaatselijke duivenvereniging. Gewapend met onze wedstrijdlicentie meldden we ons bij een tafel met een morsig kleed erop, dat zo te zien al een aantal jaren bij Van der Valk op de vloer gelegen had. Achter die tafel een paar streng kijkende mannen met officiële wielerbondskledij. Toevalligerwijze liep mijn broertje voorop en was hij dus het eerst aan de beurt. Een jurylid, zoals altijd voorzien van een snor en een leesbril, las zijn gegevens op, waarna deze door een bloedmooi meisje, dat fel contrasteerde met alles wat in de bedompte ruimte aanwezig was, ingevoerd werden op een laptop. Vervolgens ontving hij van een tweede snor met een leesbril een rugnummer, waarna hij door een deur verdween naar een tweede ruimte, waar de toiletten zich zouden moeten bevinden. Ik doorliep hetzelfde proces van snorren en rugnummers en nam daarna dezelfde deur, want voor zo’n koers kun je maar beter alle overbodige ballast kwijt zijn.

Toen ik de tweede ruimte betrad, zag ik mijn broertje voorover gebogen turen naar het slot van de wc-deur. “Kom eens kijken”, zei hij. “Zit-ie nou op slot of niet?” Ik keek eens goed. Het was inderdaad moeilijk om te bepalen of de deur op slot zat, het vakje dat doorgaans óf rood óf wit is, was nu half-half. “Hmmm”, zei ik tegen mijn broertje. Heb je al eens gevoeld of hij open gaat?” “Jazeker”, zei hij, “maar hij wil niet direct open. Misschien klemt de deur een beetje.” Gezien de staat waarin het gebouw zich bevond, leek dat niet onwaarschijnlijk. ” Weet je wat”, zei ik, “geef eens een flinke ruk aan de deur, dan weten we het zeker.” Dit leek mijn broertje een prima idee. Hij zette zich schrap, pakte met zijn handen de deurklink en plaatste een voet tegen de deurstijl. Hij haalde eens diep adem en gaf vervolgens tijdens het uiten van een oerkreet een geweldige ruk aan de deur.  Die schoot open. Dwars door het slot heen. En dus keken we in het verbijsterde gezicht van de Belgische jongen, die daar op zijn gemak zijn behoefte had zitten doen. Met verschrikte ogen sloeg hij snel zijn handen voor zijn kruis, terwijl hij verder niet veel meer uit wist te brengen dan een langgerekte klank, die het midden hield tussen de huil van een wolf en het geblaat van een schaap: “Whhhhooooooooooohhh.”

Mijn broertje stamelde een excuus en snel verlieten we de ruimte, de onthutste Belg en de houtresten van het geforceerde slot  achter ons latend. Eenmaal buiten, toen we terugliepen naar onze auto, kwamen de tranen. Zelden zó gelachen. Hoe onbenullig het voorval misschien ook was, we kwamen we niet meer bij. We lagen op de grond, onder de auto, in de auto en bovenop de auto van het lachen.

Van fietsen kwam niet veel meer die middag. Drie kwartier lang de slappe lach had al onze energie weggenomen. Binnen drie rondjes stonden we allebei aan de kant. Geen spanning meer op de benen, zoals dat zo mooi heet. ” Verdorie”, zei ik tegen mijn broertje toen we weer op weg waren naar huis. “Helemaal voor niets helemaal naar België gereden.” Hij keek me verbaasd aan. “Meen je dat nou? Ik dacht dat je ooit voor de lol met  fietsen begonnen was.”

Étape 15: The boss is back

zondag 19 juli 2009

Étape 15: Pontarlier – Verbier 207,5 kilomètres

The Boss is back. Om Livestrong te promoten en misschien wel om de Tour te winnen. Hij is vriendelijker dan vroeger, fietst voor zijn plezier. Verliest zelfs. En trekt alle aandacht naar zich toe. Elke dag dezelfde beelden bij de bus van Astana: fotografen, cameramannen, journalisten gewapend met blocnotes of microfoons. Daarnaast publiek, veel publiek. Misschien staat zelfs mevrouw van Zetten uit Tiel er wel bij. Ze drommen samen rondom het fenomeen, die dan weer vriendelijk een kankerpatiënt te woord staat en dan weer een al te opdringerig persoon een uitbrander geeft.

Als ik Lance Armstrong zo vrolijk twitterend bezig zie, moet ik terugdenken aan een ontmoeting zo´n vijftien jaar geleden.

Ik sta in de schaduw van de St. Pietersberg. Op de maasboulevard in Maastricht, precies 150 meter achter de eindstreep van de Amstel Gold Race. De rappe Italiaan Stefano Zanini komt als eerste over de streep. Solo. Raar, sprinters horen niet alleen aan te komen. Gejuich, applaus, gebalde vuisten, flitsende fototoestellen. Misschien zelfs tranen.

De achtervolgende groep stormt over de streep en raast voorbij . Eén renner knijpt direct in de remmen als hij de verzorger bij de auto naast me ziet. Ze dragen hetzelfde shirt. Hij kucht, stapt af, en gooit zijn fiets tegen de auto. De witte zoutranden op het riempje van zijn valhelm getuigen van inspanningen die op zijn gezicht nauwelijks meer af te lezen zijn. Hij is breder, robuuster dan ik gedacht had.

De verzorger legt liefdevol een hand op zijn schouder. Intiem moment, zo met zijn drieën. “Goe gereden”, klinkt het in onvervalst Vlaams.“It was fucking crazy,” antwoordt hij met een onmiskenbaar Texaanse tongval , “all these turns and little roads. Where are the showers?” Hij lijkt geen antwoord te verwachten en pakt zwijgend de aangeboden sporttas aan. Ik richt mijn compacte camera en druk af. Het toestel klikt en zoemt.  “Rechtdoor, two kilometers,” zegt de verzorger dan toch nog zachtjes. De atleet gooit de tas op zijn rug, pakt nonchalant zijn fiets en rijdt weg. Links het water van de Maas, rechts de beboste helling. En verder niets. Langzaam trapt hij de eenzaamheid tegemoet.

Het is april 1996. De man op de foto heeft zijn beide testikels nog. Zeker, hij is ex-wereldkampioen, maar de Tour de France die straks in juli wordt verreden  is nog het domein van Spanjaarden, Fransen, Italianen en misschien een verdwaalde Deen of Duitser. Van gele armbandjes tegen kanker heeft nog nooit iemand gehoord.

En dus is op de maasboulevard in Maastricht niemand – maar dan ook helemaal niemand – geïnteresseerd in Lance Armstrong.

Étape 13: Geplatzerwaseld

vrijdag 17 juli 2009

Étape 13: Vittel – Colmar 200 kilomètres

Col de la Schlucht, col du Firstplan en, vooral, Col du Platzerwasel. U hoort het al: winnaar Heinrich Haussler stormde in de dertiende etappe op weg naar huis (Freiburg) door een raar gebied. De Alsace, of Elzas, is niet Frans en niet Duits. Het is iets er tussenin. Met allerlei rare taal- en cultuurmixen als gevolg. De oorzaak is logisch. De streek werd eeuwenlang als een pingpongballetje op en neer gesmasht tussen Frankrijk en Duitsland. Na elke oorlog een andere baas. Van zulk gedoe wordt een mens onrustig zou je denken. Maar de Elzasser denkt: het zal mij worst wezen! – en schenkt zichzelf nog een prima lokaal wijntje in. Prost ende santé!

Zo ontspannen waren ze in Parijs niet, toen na de hel van la grande guerre de nogal ambitieus ogende Adolf Hitler aan de macht kwam aan de andere kant van de Rijn. Met de gifgasaanvallen van Verdun nog vers in het geheugen, leek diens streven naar meer Lebensraum niet bepaald een aantrekkelijk idee. Niet wéér de longen van een hele generatie wielrenners naar de knoppen!

Dus bedacht André Maginot, minister van defensie,  een geweldig en geweldig duur plan. Langs de grens met Duitsland werd een onverslaanbaar geachte verdedigingslinie neergelegd: de Maginotlinie. 58 enorme, voornamelijk ondergrondse verdedigingswerken en 400 kazematten, deels met elkaar verbonden door onderaardse gangen, die zelfs voorzien waren van spoorrails. Heerlijk toch, als iemand zo’n groots bouwwerk naar zichzelf vernoemt*.

Terwijl het hele Duitse leger op het grote blad door Polen stormde, lagen er in de Maginot linie honderdduizenden Franse soldaten depressief te worden door gebrek aan daglicht. Ze hadden zo door kunnen lopen naar Berlijn, d’r op en d’rover zou het geweest zijn. Maar ja, Blitzkrieg is misschien niet voor niets een Duits woord met weinig equivalenten in andere talen. Toen de Duitsers Polen aan hun bajonet geregen hadden en uiteindelijk toch nog Frankrijk binnenvielen, kwamen ze natuurlijk via België en fietsten ze zo door de achterdeur naar binnen. Oei, aan die optie had eventjes niemand gedacht.

Vandaag werden, bizar genoeg, Oscar Freire en Julian Dean tijdens de etappe beschoten met een luchtbuks. Het kan nog erger. Destijds werden in de Maginotlinie halve pelotons verbijsterend eenvoudig om zeep gebracht. Geplatzerwaseld, zullen we maar zeggen.

*Het is niet zeker of André Maginot de verdedigingslinie daadwerkelijk naar zichzelf vernoemd heeft.

Étape 11: Je nou ja eh dinges eh je weet wel doen

dinsdag 14 juli 2009

Étape 11: Vatan – Saint Fargeau 192 km.

Ben je wielrenner, dan stellen leken je altijd dezelfde twee vragen. Vraag één: heb je wel eens een wedstrijd gewonnen? Behoorlijk wat renners sluiten hun carrière zonder ook maar één enkele overwinning behaald te hebben af. En dan is zo’n vraag dus best pijnlijk. Vraag twee is kennelijk ook een pijnlijke, gezien het moeilijke gezicht dat de vragensteller er bij trekt: hoe doe je dat nou als je 192 kilometer moet fietsen als je nou ja eh dinges, je weet wel, ja uh hoe zeg ik dat nou netjes, nou ja, laat ik zeggen, naar de wc moet?

Nou, daar gaan we dan.

Er zijn, bij de meeste mensen toch, twee soorten behoeften die zich voor zouden kunnen doen: het plassen en het poepen. Om met het plassen te beginnen: tja, dat moet regelmatig gebeuren tijdens lange ritten. Wielrenners zijn als de dood dat hun vochtbalans verstoord raakt. Te weinig vocht betekent namelijk direct prestatieverlies, en niet zo’n beetje ook. Vandaar dat er voortdurend aan bidons gelurkt wordt in het tempo van een havenarbeider die de kroeg bezoekt op zaterdagavond.

Veel drinken, betekent ook veel plassen. Stapt de wielrenner dan af? Jazeker, mits het wedstrijdtempo dit toelaat. Als het te hard gaat om gemakkelijk terug te kunnen komen, laten veel wielrenners bij regen de boel gewoon lopen. Heb je het tenminste nog heel even warm. Regent het niet, dan hebben coureurs een aardige truuk. Ze laten zich door een ploeggenoot voortduwen terwijl ze hun slurf ongeneerd buiten de broek hangen en de sluis open zetten. Dit vergt wat oefening en mag overigens niet in het zicht van het publiek. Op het op deze wijze douchen van onschuldig toekijkend volk staat namelijk een boete.

Dan het poepen. Dat komt weinig voor. Tijdens de inspanning denkt het lichaam over het algemeen: ja hallo, dat fietsen is al intensief genoeg, mooi dat ik nu me even niet met die endeldarm bezig ga houden. Het is dus een weinig voorkomend probleem.

Tenzij.

Met al dat eten en drinken tijdens het fietsen wordt de spijsvertering natuurlijk zwaar belast. Zeker bij warme omstandigheden kan al die suikertroep ook wel eens verkeerd vallen. Met een knetterende diarree-aanval tot gevolg. Gelooft u mij, dat is ellende. Er zit niets anders op dan in je boek te schijten, af te stappen en in een wijngaard te knielen of de kringspier dicht te knijpen, met de verschrikkelijkste buikkrampen tot gevolg.

Ik koos ooit voor het laatste.

Het was de tweede etappe in een koers in de Hérault en ik had de slag gemist. Wonder boven wonder kwam alles weer bij elkaar en lag een leuke ereplaats nog in het verschiet. Een uurtje voor de finish kreeg ik echter verschrikkelijke buikkrampen. Vijf minuten kronkelend op de fiets, dan weer vijf minuten niet en zo voort. Echt ontsnappen was er in deze conditie natuurlijk niet meer bij en omdat de sprint tijdens vijf slechte minuten plaatsvond, werd ik nog laatste ook. Ik reed recht van de streep door naar mijn auto, die naast een paar bosjes aan de rand van een dorpje stond. Ik gooide mijn fiets aan de kant, rende in paniek door de bosjes, sleurde ondertussen mijn shirt uit, trok mijn broek omlaag, sloot mijn ogen, zakte door de knieën en deed met een diepe kreun mijn behoefte.

En toen keek ik op.

In de ogen van vijfentwintig bejaarden, die aan de andere kant van dat bosje bezig waren aan hun jaarlijkse jeu de boules toernooi. Shit.

Étape 10: De hardheid van de jury

maandag 13 juli 2009

Étape 10: Limoges – Issoudun 194.5 kilomètres

Wielrenners zijn, zo wordt verondersteld, harde lui. Dat mag zo zijn,  juryleden bij wielerwedstrijden zijn zeker zo hard.  Het zal je maar gebeuren: je rijdt je de hele dag het snot voor de ogen, zeult je robuuste sprinterslichaam over waanzinnig lange en hete bergpassen, trotseert de meewarige blikken uit het publiek dat twijfelt of deze renner nog bij de koers hoort of dat het een toerist is, komt uitgewoond bij de eindstreep aan en krijgt daar van een streng kijkend jurylid te horen dat het leuk was dat meedeed, maar dat je Tour voorbij is. Je hebt er namelijk drie lullige minuten te lang over gedaan.

Na het verstrijken van de tijdslimiet binnenkomen en gediskwalificeerd worden. Het is toch wel heel treurig om zo uit de wedstrijd genomen te worden. Niet omdat je een collega een bidon naar zijn hoofd gesmeten hebt of onderweg stiekem in de trein gestapt bent, maar omdat je niet goed genoeg bent. Ach en wee, het overkwam in étape 8 Koldo Fernandez en gisteren Danilo Napolitano.

Je zou denken: wat maken die paar minuten nou uit. Zes en een half uur op de fiets en dan nog geen tweehonderd seconden te laat. Helaas, alleen als een grote groep buiten tijd binnenkomt wordt er soms besloten om de tijdslimiet te verruimen. Een Tour met nog maar veertig renners ziet er namelijk ook een beetje sneu uit. Jury´s bij wielerwedstrijden tonen doorgaans echter geen enkele clementie. Ik werd ooit tijdens een wedstrijd in Luxemburg op slechts drie kilometer van de eindstreep uit koers genomen omdat we te ver achter lagen op de koplopers. Niet alléén, maar met 70 andere coureurs.  Ons door laten rijden was minder moeite geweest.

Het beste voorbeeld van een keiharde jury werd mij ooit verteld door een bevriend renner. Hij deed mee aan een juniorenwedstrijd op een indutrieterrein in Tilburg. Half koers brak zijn stuur. Hij schoot van links naar rechts door het voortjagende peloton, botste tegen de stoeprand en vloog over de kop. Kermend van de pijn lag hij op zijn rug. Een auto stopte en een man met een notitieblok stapte uit. Hij liep op mijn vriend af. Deze verwachtte een paar troostende woorden en een arm om de schouder.

Niet dus.

“Zo menneke”, zei de man in onvervalst Brabants. “Draaide gij oew eigen eens efkens snel om. Anders kan ik oew rugnummer nie lezen.”


Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 180 other followers