Étape 16: Martigny – Bourg Saint Maurice 159 kilomètres
Je zou het soms niet zeggen, maar al die jongens die naar Bourg Saint Maurice zwoegen zijn ooit begonnen met wielrennen omdat ze het leuk vonden. Fietsen voor de lol dus. Nou, bij de jongens van Rabobank is de lolin het fietsen inmiddels ver te zoeken. De Russische kopman is geknakt, de ploeg zelfs mentaal kapot volgens de normaal toch altijd optimistisch gestemde ploegleider Erik Breukink. En nou heeft het kleine Skil-Shimano ook al meer verdiend aan prijzengeld. Vanwaar deze miserie? Welnu, niets gaat zo als het moet bij het team. Denis Menchov volledig uit vorm, Robert Gesink met een polsbreuk naar huis, Laurens ten Dam gebroken na een valpartij en Stef Clement zijn beste kruit verschoten in de Dauphiné. Trouwens iedereen behalve Oscar Freire is al tegen de grond gegaan. Maar goed, Oscarito kreeg een kogeltje in één van zijn formidabele sprintersbillen, dus hij heeft zijn portie ellende óók al gehad. Lijkt me leuk om de altijd nette Breukink ‘s morgens op zijn manier een donderspeech te zien geven in de bus. “Kom op jongens, maak er een hele mooie sportmiddag van!”
Tja, vervelend hoor. Net in de belangrijkste wedstrijd van het jaar lukt er niks. Daar word je niet vrolijk van. En daar worden de resultaten dan weer niet beter van. Een schrale troost voor de Rabobankjongens: uit eigen ervaring weet ik dat een al te jolige stemming ook niet best is voor de resultaten.
Ik reed bijvoorbeeld eens met mijn broertje met de auto naar een kermiskoers in België. Leuk rondje, beetje heuvelop, beetje heuvelaf: het leek ons wel wat. Maar eerst moesten we even inschrijven in het lokaal van de plaatselijke duivenvereniging. Gewapend met onze wedstrijdlicentie meldden we ons bij een tafel met een morsig kleed erop, dat zo te zien al een aantal jaren bij Van der Valk op de vloer gelegen had. Achter die tafel een paar streng kijkende mannen met officiële wielerbondskledij. Toevalligerwijze liep mijn broertje voorop en was hij dus het eerst aan de beurt. Een jurylid, zoals altijd voorzien van een snor en een leesbril, las zijn gegevens op, waarna deze door een bloedmooi meisje, dat fel contrasteerde met alles wat in de bedompte ruimte aanwezig was, ingevoerd werden op een laptop. Vervolgens ontving hij van een tweede snor met een leesbril een rugnummer, waarna hij door een deur verdween naar een tweede ruimte, waar de toiletten zich zouden moeten bevinden. Ik doorliep hetzelfde proces van snorren en rugnummers en nam daarna dezelfde deur, want voor zo’n koers kun je maar beter alle overbodige ballast kwijt zijn.
Toen ik de tweede ruimte betrad, zag ik mijn broertje voorover gebogen turen naar het slot van de wc-deur. “Kom eens kijken”, zei hij. “Zit-ie nou op slot of niet?” Ik keek eens goed. Het was inderdaad moeilijk om te bepalen of de deur op slot zat, het vakje dat doorgaans óf rood óf wit is, was nu half-half. “Hmmm”, zei ik tegen mijn broertje. Heb je al eens gevoeld of hij open gaat?” “Jazeker”, zei hij, “maar hij wil niet direct open. Misschien klemt de deur een beetje.” Gezien de staat waarin het gebouw zich bevond, leek dat niet onwaarschijnlijk. ” Weet je wat”, zei ik, “geef eens een flinke ruk aan de deur, dan weten we het zeker.” Dit leek mijn broertje een prima idee. Hij zette zich schrap, pakte met zijn handen de deurklink en plaatste een voet tegen de deurstijl. Hij haalde eens diep adem en gaf vervolgens tijdens het uiten van een oerkreet een geweldige ruk aan de deur. Die schoot open. Dwars door het slot heen. En dus keken we in het verbijsterde gezicht van de Belgische jongen, die daar op zijn gemak zijn behoefte had zitten doen. Met verschrikte ogen sloeg hij snel zijn handen voor zijn kruis, terwijl hij verder niet veel meer uit wist te brengen dan een langgerekte klank, die het midden hield tussen de huil van een wolf en het geblaat van een schaap: “Whhhhooooooooooohhh.”
Mijn broertje stamelde een excuus en snel verlieten we de ruimte, de onthutste Belg en de houtresten van het geforceerde slot achter ons latend. Eenmaal buiten, toen we terugliepen naar onze auto, kwamen de tranen. Zelden zó gelachen. Hoe onbenullig het voorval misschien ook was, we kwamen we niet meer bij. We lagen op de grond, onder de auto, in de auto en bovenop de auto van het lachen.
Van fietsen kwam niet veel meer die middag. Drie kwartier lang de slappe lach had al onze energie weggenomen. Binnen drie rondjes stonden we allebei aan de kant. Geen spanning meer op de benen, zoals dat zo mooi heet. ” Verdorie”, zei ik tegen mijn broertje toen we weer op weg waren naar huis. “Helemaal voor niets helemaal naar België gereden.” Hij keek me verbaasd aan. “Meen je dat nou? Ik dacht dat je ooit voor de lol met fietsen begonnen was.”