Auteur: De Beschermheer

Étape 15: pindakaas is de nieuwe EPO

Bourg-en-Bresse – Culoz, 160 km

Mensen, er is iets raars aan de hand. De Tour is al twee weken onderweg en tot nu toe heeft niemand het er over gehad. Ik heb het hele woord nog niet gehoord, terwijl het er toch moet zijn. Doping.

Zo was het precies in de tijd dat ik zelf koerste. Het hele profpeloton zat aan de EPO, maar ik heb werkelijk geen idee op welke schaal dat ook het geval was bij de amateurgezelschappen waar ik deel van uitmaakte. Een gespreksonderwerp was het in ieder geval niet. Als er al verhalen over rond gingen, betrof  het altijd vage ver-van-mijn-bed-geschiedenissen die onmogelijk na te trekken waren. Waarschijnlijk was ik echter vooral  naïef. Zoals Balkenende gezegd zou hebben: met de kennis van nu ga je altijd kijken naar wat er toen is gebeurd. En nu denk ik wel eens dat de grote pupillen van sommige collega’s voor de start niet per sé te wijten waren aan een sterk kopje koffie.

Er was in ieder geval genoeg aan de hand om de moeite te nemen om dopingcontroles te organiseren. Vooral in België was het opletten geblazen. Niet zozeer om gepakt te worden op gebruik van verboden middelen. Het grootste risico was dat je na een koers in pak ‘m beet Erps-Kwerps (bestaat! zoek maar op!) fluitend naar huis reed en dan na drie weken een brief kreeg van de Vlaamse Gemeenschap met het verzoek te verschijnen op een hoorzitting in een hele strenge setting. Dopingcontrole gemist. Die Vlaamse Gemeenschap was namelijk beter in het controleren van rennersurine dan in het aankondigen van wie  die urine überhaupt moest afstaan. Er werd ergens tijdens de koers een kreukelig briefje met rugnummers en namen op een prikbord geprikt, maar geen mens wist waar. De speaker riep het wel om, maar consequent net op het moment dat het peloton zich aan de achterkant van het parcours bevond. Zelf ontsnapte ik aan het onbedoeld ontsnappen aan een controle door een oplettende bevriende renner. Hij was er in het begin van de koers al afgereden en had, werkloos staand aan de kant van de weg, de speaker wél gehoord. Ik ging juichend in een potje plassen. Een échte dopingcontrole! Verschillende collega’s met minder mazzel werden echter een jaar geschorst.

Ik zag er ook zelden wat van. Een Belgische wielervader die in de kofferbak van zijn auto trappist met cola mengde en dat bidonnetje vlak voor de finale aan zijn zoon gaf, veel serieuzer dan dat werd het niet. Het werd me ook nooit aangeboden, doping. Tot dit voorjaar dan. Toen kreeg ik  in een keurige e-mail het voorstel om EPO te gaan gebruiken. Gratis en voor niks. De afzender? Hou je vast. De Nederlandse Toer Fiets Unie (NTFU).

Toen ik bijgekomen was van het lachen, bleek het nog serieus bedoeld ook. Tien jaar lang was het volgens alle betrokkenen onmogelijk om zonder EPO in de top twintig van een grote ronde eindigen en tóch is er wetenschappelijke twijfel of het spul wel werkt. Dus wat doen het Nederlandse Centrum voor Dopingvraagstukken, de universiteit van Leiden en de NTFU?  Ze spuiten een groep mannen – die geen wedstrijden rijden maar zichzelf wel goed getraind vinden – een aantal weken lang wat EPO in hun mik en jagen ze dan samen met een controlegroep de Ventoux op. Kijken wie er het snelste is. De eerste conclusies zijn al getrokken. De controlegroep was sneller, maar aan de gemiddelde klimtijd te zien viel het over all wat tegen met de getraindheid van de heren. Of is de tussenconclusie dat EPO in ieder geval geen wonderen verricht. Ik ben heel benieuwd naar de eindconclusie. Zo meteen blijkt nog dat we ons jaaaaaaren druk gemaakt hebben om niets en dat we Lance zijn zeven zeges terug moeten geven.

Nou ja, echt relevant is de hele EPO discussie toch al niet meer. Er is allang een nieuw wondermiddel dat de renners gebruiken. Laurens ten Dam wist gisteren precies te melden waar de progressie van Bauke Mollema vandaan komt. Na jaren hagelslag bij het ontbijt genuttigd te hebben is de nummer twee van het klassement onlangs overgestapt op het dieet van Laurens ten Dam zelf. Pindakaas. Drie potten heeft hij meegenomen. En als het op is kan hij bij de ploeg van Laurens een nieuwe voorraad krijgen. Pindakaas leeft in het peloton, getuige de tweet van Stef Clement. Het is volgens hem nu ook verkrijgbaar in de vorm van een gelletje.

Schermafbeelding 2016-07-18 om 14.18.01

Pindakaas is de nieuwe EPO. Vandáár dat de Nederlandse renners het zo goed doen sinds de Vuelta van vorig jaar. Renners uit het buitenland, die EPO altijd gewoon bij de dorpsapotheek kochten, kunnen deze door Calvé gedesignde powerpindadrug  natuurlijk veel moeilijker bemachtigen.

De Tour winnen op een boterham met pindakaas. Werd dat altijd ingeschat als onmogelijk, nu blijkt het juist andersom te zijn. Ik wacht met smart op een nieuwe mail van de NTFU.

 

Étape 14: vreemde vogels

Montélimar – Villar les Dombes Parc des oiseaux

Noordwaarts ging het vandaag. Vanuit Montélimar het hele Rhônedal door om te finishen in het Parc des Oiseaux van Villar les Dombes. Een unieke collectie van drieduizend vogels hebben ze daar. Interessant hoor, maar waarom zou je in hemelsnaam een eindstreep trekken in een vogelpark? Het duurde even voordat ik de logica ervan inzag. Het wielerpeloton is natuurlijk een unieke collectie van rare vogels op zich! Ik ben tenminste nog nooit een normale wielrenner tegengekomen. Het is zelfs zo erg dat ik standaard vrouwen die verlekkerd naar geschoren wielerkuiten kijken aanraadt om nooit met een wielrenner in zee te gaan. Alleen tegen mijn eigen vriendin houd ik wijselijk mijn mond.

Mark Cavendish was vandaag de snelste van een zwerm trekvogels op weg naar het noorden.Jammer genoeg maakte Robert Gesink geen deel uit van deze zwerm. De Condor van Varsseveld viel voor de Tour keihard op z’n Peyresourde en doet niet mee. Het was zo leuk geweest, een condor in een vogelpark.

Er zijn meer mooie vogelwielerbijnamen. Je kunt er zo een bescheiden vogelparkje mee vullen. Eentje doet daadwerkelijk mee aan deze Tour. Nairo Quintana is de Witte Arend voor vrienden. Voor andere mooie vogels moeten we terug in de tijd. De allerbekendste is waarschijnlijk Federico Bahamontes. De Adelaar van Toledo kreeg zijn bijnaam vanwege zijn klimmerskwaliteiten. Liefst zes keer won hij het bergklassement. Er is trouwens nog een adelaar uit een Spaanse stad. Frank VandenBroucke reed ooit de stenen uit de straat in Avila en ging sindsdien als de Adelaar van Avila door het leven.

We hebben er nog meer in de aanbieding. De fanastische daler Paolo Savoldelli was il falcone: de valk. Ferdi Kübler? De Arend van Adliswil. Zelfs ikzelf ontsnap er niet helemaal aan, want op mijn werk noemen ze me wel eens de Reiger. De raarste vogel was echter niet ik, maar waarschijnlijk Michael Rasmussen. Die deed hele vreemde dingen om zo licht mogelijk te zijn. Zijn kop kaal scheren bijvoorbeeld. Alle stickers van zijn fiets afpulken. Een dieet volgen van alleen groenten en fruit. Of weken lang eindeloos sojamelk drinken en rijstwafels eten. Het werkte, een krielkip werd ie. Zijn collega’s verzonnen een mooie bijnaam. Chicken. Tegenwoordig weten we dat bij dit kippetje regelmatig de veearts langs kwam. Een plofkip, dat was het.

Bon, je kunt als wielrenner van vogels nog aardig last hebben. Ik herinner mij een Australische ploeggenoot die naast een kanaal per ongeluk over een overstekende eend heen reed. De eend dood en de renner de rest van de dag een schuldgevoel. En op één van mijn favoriete trainingsrondjes is onlangs een waarschuwingsbord geplaatst. Pas op, agressief buizerdpaar. Ze schijnen al meerdere fietsers aangevallen te hebben. Ja, dat gebeurt echt. Kijk anders even naar dit filmpje.

Gelukkig ben ik nog niet geraakt door meneer en mevrouw Buizerd.  Ik reed echter eens langs een boerderij in de buurt van Houten. Opeens voelde ik een flinke klap in mijn gezicht. Enigszins van mijn à propos voelde ik aan aan mijn rechterwang. Daar zat een beetje bloed. Beter tien vogels in de lucht dan eentje tegen je kop, zullen we maar zeggen. En één zwaluw maakt nog geen zomer, maar deze zeker niet meer.

 

Étape 13: talent = vorm / training

Bourg-Saint-Andéol – La Caverne du Pont d’Arc, 37,5 km

Tom Dumoulin vloog over de weg en kleurde een zwarte dag oranje. Er waren er meer die over de weg vlogen vandaag. Chris Froome en Bauke Mollema deden ook hele goede zaken. De enige die met minder succes  vloog was Julian Alaphilippe. Hij vloog namelijk niet over maar boven de weg.

Tja, de wind blijft maar waaien in Frankrijk. Tom Dumoulin zei dat hij netjes en verzorgd had gereden, maar dat hij ook letterlijk alle zeilen bij had moeten zetten. Het woord letterlijk oogt in eerste instantie wat vreemd in zijn zin, maar dat valt bij nader inzien mee. Wielrenners maken bij een tijdrit graag gebruik van een dicht achterwiel. Zo’n wiel zonder spaken levert minder luchtweerstand op. Tegenwoordig weten ze die dingen zelfs zo in elkaar te fabrieken dat ze bij zijwind werken als een zeil op een zeilboot. De windkracht van de zijkant stuwt de renner voorwaarts. Behalve als het echt hard waait, zoals gisteren, dan waai je dus gewoon van de weg en vlieg je bovenop een rotsblok. Au.

CnbaNwjXEAAWUBQ
Foto: @jorisknapen1

Alsof een tijdrit al niet genoeg pijn doet. Weet u overigens hoe dat vervolgens gaat met die maffe wielrenners? Ze staan weer op en constateren eerst opgelucht dat hun fiets niet doormidden is. Vervolgens checken ze de lichamelijke schade. Dat doen ze echt in die volgorde. Ongeacht de uitkomst stappen ze weer op en fietsen ze naar de eindstreep. Alaphilippe twitterde gisterenavond dan ook vanuit zijn bed dat alles ok was. Op de foto hield hij symbolisch een duim met een pleister omhoog.

Een geluk bij een ongeluk, want het zat Alaphilippe tot nu toe niet mee deze Tour. Komt door het ongrijpbare fenomeen vorm. Julian begon in topvorm aan de Tour en kwam uitstekend voor de dag in het Massif Central. In de Pyreneeën ging het echter opeens niet meer. De vorm was weg. Doe je niks aan.

Nee, dan Tom Dumoulin. Die liep de eerste week alleen maar chagrijnig te wezen. Verkoudheidje, onbenullige valpartij, slechte benen. Geen vorm. Doe je niks aan. Maar in de Pyreneeën ging het opeens wél. Op weg naar Arcalis ging zijn zegetocht nog half op karakter, maar gisteren had ik aan tien seconden televisie genoeg om de conclusie te trekken: topvorm. Kijk voor de vorm maar eens de beelden van gisteren terug en vergelijk tien seconden Dumoulin eens met tien seconden Quintana. Verder commentaar overbodig.

Vorm kan dus opeens komen en snel weer gaan. Jammer genoeg weet je nooit precies wanneer. Hoewel, er is volgens mij wel een verband tussen talent en vorm. Let op, want ik presenteer bij deze een wetenschappelijke doorbraak. Een nieuwe formule in het domein der fysiologie die talent wiskundig definieert. Einstein, hou je vast. Tromgeroffel. Daar komt ie: vorm/training = talent, waarbij vorm een constante is. Laten we zeggen: honderd.

Ik neem mijzelf als rekenvoorbeeld. Ik heb ongeveer 3500 km nodig om in vorm te komen. Mijn niet al te grote talent is dus: 100/3500 = 0,029.

Even kijken of de formule klopt. Het talent van mannen als Peter Sagan en Alejandro Valverde is veel groter. Dat lijkt me een veilige aanname. Die twee zijn echte natuurtalenten en kunnen daardoor het hele jaar door wedstrijden winnen. Zij staan erom bekend in het voorjaar weinig kilometers nodig te hebben om in vorm te raken. Laten we zeggen: 1500 km. Hun formule is dan 100/1500 = 0,06. Hun talent is dus ongeveer dubbel zo groot! Geen wonder dat ze zoveel harder fietsen!

Ok, ik heb dus niet bijster veel talent. Wielrennen gaat nog redelijk, maar sinds de vorige twee alinea’s weet u dat talent voor wiskunde echt geheel ontbreekt. Toch geloof ik in deze formule en ik zal ‘m bewijzen. Oscar Freire was legendarisch getalenteerd. De Spanjaard hoefde namelijk maar naar zijn fiets te kijken of hij was al in vorm. Fietste hij er voor de vorm nog een keer honderd kilometer bij om te kunnen zeggen dat hij óók had getraind. Qua talent was hij de absolute nummer één. We vullen voor hem de formule in.

100 (vorm) / 100  kilometer = 1. Zie je wel dat het klopt?

Étape 12: wielerhooligans

Montpellier – Mont Ventoux, 184 km

Een man in een gele trui rende over de weg. Dat was twee dingen. Ten eerste best een prestatie, zo op die onhandige wielerschoenen. En ten tweede natuurlijk geen gezicht. Een wielrenner zonder fiets is als een springruiter zonder paard, Bassie zonder Adriaan, een soldaat zonder geweer op een Normandisch strand. Het klopt niet en het ziet er gek uit.

Ik had te doen met de rennende Froome. En met de jury, want die moest oordelen over deze onwaarschijnlijk slechte B-film scene. Te veel wind waardoor er te weinig hekken geplaatst kunnen worden bij een geïmproviseerde finishlocatie, en toeschouwer die struikelt of zoiets, een motor die een noodstop maakt, Porte, Froome en Mollema die er tegenaan botsen, een volgende motor die parkeert bovenop de fiets van Froome, Mollema die zijn fiets weer grijpt en naar de finish harkt, een groep achtervolgers die wel of niet last heeft van de situatie, Porte die door die groep gepasseerd wordt, Froome die begint te lopen zonder fiets en dan een te kleine fiets met de verkeerde pedalen aangereikt krijgt van de neutrale wagen, Quintana die even aan een motor gaat hangen. Ik denk niet dat deze situatie exact in de reglementen staat. En dus is elke beslissing die je als jury neemt verkeerd.

Nou kunnen jury’s sowieso rare, onnavolgbare beslissingen nemen, daar niet van. Ik werd zonder opgaaf van redenen door de ene helft van de jury niet erkend als winnaar van de enige wedstrijd die ik won. De andere helft gaf me na protesten van mijn tegenstanders alsnog de trofee. Ik kon er geen touw meer aan vast knopen. Maar bon, deze keer werd er besloten om iedereen behalve Mollema bonus seconden te geven. Of niet, ik snap het ook niet precies meer.

Misschien kunnen we dan ook beter even kijken naar het probleem dat alle ellende veroorzaakte. Dat probleem is: rare mensen. Want wie gaat er nou naar een wielerwedstrijd kijken die je veel beter op tv kunt zien? Uren wachten in de zon, regen of wind en dan flits-flits-flits is alles voorbij. Daar zit natuurlijk weinig logica in, het is raar gedrag. Helaas moeten we er nog aan toevoegen dat veel van die rare mensen ook nog eens echte malloten zijn. Ze trekken een kippenpak aan en rennen mee. Ze stappen naar voren, kijken naar rechts en worden omver gereden door een renner van links. Ze zetten de renners in de rook om, ja, waarom eigenlijk?

Gisteren ging fout wat al veel eerder fout had moeten gaan. Er waren zoveel rare mensen en echte malloten op de Ventoux dat de motoren er simpelweg niet meer door konden. Een beetje minder publiek kan bij de meeste etappes bepaald geen kwaad. Dat was bij de wedstrijden die ik in mijn gloriedagen reed wel anders. Daar was net zo weinig glorie als publiek. En de mensen die er waren deden nog best normaal ook. Behalve die ene keer in Tilburg.

We reden een criterium over een stuk van de binnenring van de Brabantse textielstad. Een racebaan met een bochtje of twee. Ik meen dat het Hemelvaart was en bloedheet. De Tilburgers kon het niks schelen, die zaten lekker op het strand van de Beekse Bergen. Ronden lang zag ik alleen maar dranghekken langs het parcours, mensen ho maar. Totdat we half koers na één van die twee bochten weer de ring opdraaiden. Opeens kwam er een groep van tweehonderd brullende tatoeages op de dranghekken afgestormd. Bierblikjes vlogen in het rond, dikke halskettingen rinkelden. Een orkaan van geluid. Zoef – we waren zowaar zonder ongelukken voorbij. Ik vroeg me af wat we over 1400 meter bij terugkomst mee gingen maken.

Het liep goed af. Drie ronden bleven ze kabaal maken en bier gooien. Toen waren ze, net zo snel als ze gekomen waren, weer weg. Veel later hoorde ik dat de renners van de wedstrijd na ons vervroegd af moesten sprinten, omdat er hooligans onderweg waren naar het parcours. Verstandig besluit van de jury deze keer. Ik denk zomaar dat Willem II een sprintje verloren had.

Étape 11: chez moi à Montpellier

Carcassonne – Montpellier, 162,5 km

En toen kwam de Tour ineens chez moi. Montpellier. Heb ik gewoond, bijna een jaar. En al is het zeventien jaar geleden, het blijft een beetje thuis. Ik woonde in een studentencomplex aan een uitvalsweg naar de Cevennen, aan de noordkant van de stad. Mooie kamer met uitzicht op een pizzabus. Gesubsidieerd door mijn ouders, maar ook de Nederlandse, Franse én Europese overheid. Mijn god, wat zijn die Britten connards met hun Brexit.

Ik heb er keurig een diploma gehaald aan Université de Montpellier II, maar dat hele studeren was natuurlijk een smoes om in de zon te kunnen fietsen. Daarvoor moest ik eerst een wielerclub vinden. Ik raakte bij het uitprinten van een studie-opdracht bij toeval aan de praat met de eigenaar van de copyshop tegenover mijn flat. Hij bleek zowaar een wielergeschiedenis te hebben. Ik had volgens hem de keuze uit twee clubs: AS Lattes of ASPTT de Montpellier. Ik keek eens op de kaart van de stad. Lattes lag helemaal aan de verkeerde kant. Wat was dat ASPTT precies? Aha, de Association Sportive des Postes, Téléphonies et Télégraphes. Een ploeg Post! Een variant op de US Postals van Lance! Kortom, daar moest ik maar eens een kijkje gaan nemen.

Ik meldde me bij de ASPTT de Montpellier, destijds een omnisportclub met een uitstekende wielertak. Die bleek gerund te worden door Régis, een amateur met een Melkertbaan. Hij werkte niet, of nou ja, volgens mij deed hij een kwartiertje per dag de administratie. De rest van de tijd trainde hij of deed hij niets. En met een beetje geluk won hij dan de Ronde van Guadeloupe. Alhoewel, geluk… Régis was relatief laat op de fiets gestapt, maar won direct wedstrijden. Een costaud, een spierbonk zonder weerga.

Régis concludeerde al snel dat ik voor mijn vertrek naar Frankrijk iets onhandigs had gedaan. Ik had namelijk mijn Nederlandse licentie aangehouden. En daarop stond dat ik élite was. En élite was in Frankrijk ook echt élite. In die categorie zaten landelijk zo’n 250 profs en semi-profs. Voor zover ik die al bij kon houden had ik volgens Régis vooral een transportprobleem. Er waren doorgaans in een weekend maar een paar wedstrijden voor deze categorie. In heel Frankrijk dan. De ASPTT was een prima club, maar een vliegtuig om naar Bretagne, de Elzas en het Baskenland te vliegen kon ik niet ontdekken.

Als ik nou de nieuwe Richard Virenque geweest was, had Régis dat probleem wel voor me opgelost wellicht. Al kon ik ze met mijn tong in mijn derailleur soms nog bijhouden ook, die Franse semi-profs, dat was ik niet. Dus besloot ik me bij wat wedstrijden op nationaal en regionaal niveau in te schrijven en te kijken wat er zou gebeuren. In een bureaucratisch land als Frankrijk leverde dat natuurlijk een boel gedoe op. Reed ik 200 kilometer met mijn autootje naar Aubenas om daar en principe geweigerd te worden door een norse koerscommissaris. Monsieur, vous êtes élite, vous ne pouvez pas participer. Wat nu? Toen de man even niet keek, jatte ik de klaarliggende rugnummers van de tafel, maakte dat ik wegkwam en verstopte me tussen de andere renners. Ik verwachtte een onmiddellijke diskwalificatie, maar reed de koers uit in het peloton en was later gewoon in de uitslag terug te vinden.

Régis was het met me eens: dat truukje ging me natuurlijk niet elke week lukken. Hij had eens wat speurwerk gedaan en een ander truukje bedacht. De ASPTT was niet alleen lid van de Fédération Française de Cyclisme (FFC), maar ook van de Fédération Française de Gymnastique et Travail (FSGT). Een wilde bond die óók wedstrijden organiseerde, vrij veel zelfs. Als ik nou dáár eens probeerde een licentie aan te vragen? Mocht officieel niet als ik al aangesloten was bij een bond die lid was van de UCI, maar wel de moeite van het proberen waard. Hij schreef me in en vroeg een licentie voor me aan. Een week later mocht ik me bij een arts melden voor een fysieke keuring mét inspanningstest. Tien kniebuigingen verder kreeg ik een illegale licentie. Régis was in zijn nopjes dat hij de autoriteiten om de tuin had weten te leiden en gaf me een shirt van de ASPTT de Montpellier. Maintenant, zei hij plechtig, tu es avec nous. Bovendien, voegde hij er optimistisch aan toe, wie weet waren er misschien maar tien écht goede coureurs bij die FSGT. Even later werd ik 11e in de Grand Prix de Salindres, dus misschien had hij nog gelijk ook.

Het werd een mooi voorjaar met behoorlijk wat ereplaatsen. Ik won zelfs een keertje, maar meestal verloor ik van de renners van… AS Lattes. Régis was echter trots op me. Vooral als het bergop ging, kon ik goed mee. Ik klaagde dan ook een keertje tegen hem over de wind die zo vaak uit de bergen over de vlakte aan kwam jagen. Ha, zei Régis, la tramontane. Jij wilt natuurlijk klimmen, mais ici à Montpellier, il faut aimer le vent. 

Dat laatste hebben we vandaag maar weer gezien. Waaiers! Froome en Sagan waren in hun element, maar Quintana spartelde onhandig in de wind. Ik had niet de indruk dat ie er al een beetje van begint te houden, die tramontane.

 

Étape 10: Verliefd op Luzette en Madeleine

Weet u wat de woorden Lavelanet, Mirepoix, Plavilla en Fendeille met elkaar gemeen hebben? Alle vier zijn het plaatsjes die vandaag op de route van de Tour lagen. Ze geven mooie namen aan hun stadjes, onze Franse vrienden. Mirepoix klinkt toch beter dan Dronten, Lavelanet een stuk galanter dan Veendam. Zelfs de kleinste gehuchtjes hebben vaak de mooiste namen. Lastioulles bijvoorbeeld, of Mazagran, of Puechabon, of desnoods Sounalou.

mont ventouxDe mooiste namen worden echter, zo lijkt het wel, bewaard voor de bergpassen.
Soms lijken de cols vernoemd naar het mooiste meisje van een lycée. Luzette en Madeleine bijvoorbeeld, daar zou ik als puber op vakantie zo verliefd op zijn geworden. Soms ligt de betekenis van de naam voor de hand. De Mont Ventoux, daar waaien je inderdaad de oren van de kop. Of de Col de la Baraque, Col de l’Homme Mort, Col du Minier… daar kunnen we ons wat bij voorstellen. Evengoed gaat mijn fantasie juist met me op de loop bij de meer onverklaarbare namen. Even een greep uit de afgelopen dagen.

“Doet u mij als plat principal toch maar de hourquette d’ancizan“, zei de man na lang aarzelen tegen de ober. “Maar dan wel graag bien cuit.”

  • “Heb je ook die chute in de eerste etappe gezien?”
  • “Zo, ja, ging die Contador me even keihard op z’n peyresourde!”

“Ha, voiture weer de retour uit de garage? Wat was er nou kapot? – Oh, was finalement pas grande chose. Dolgedraaide tourmalet aan de onderkant van de dynamo. Was gefixt en une minute.

-“Comment vas-tu? Een beetje bijgekomen na je ontslag uit het hôpital?”
– “Oui, ça va, maar ik zal toch nog wel even last houden van die afgescheurde aspin.”

Nee, het is een mooie taal dat Frans. We zijn er met z’n allen gek op. Zo gek dat het Nederlandse wielervocabulaire stikt van de mooie franse wielerwoorden. De bidon collant, bijvoorbeeld, waar ik het een paar dagen terug over had. Een versnellingsapparaat noemen we een derailleur. Een zinloze achtervolging is een chasse-patate. We beklimmen geen bergpas, maar een col. Wie een zwaar verzet trapt, rijdt op de grote plaat. Maar soms hoor je ook wel het grote plateau. Ook een hele mooie: de term voor de man die de coureur na de finish begeleidt naar de dopingcontrole en ondertussen in de gaten houdt of er niet op zijn Pollentiers geklooid wordt met een met urine gevuld condoom onder de oksel of in de anus. Die heet ook in het Nederlands chaperon.

Veel Franse wielerwoorden in onze wielertaal zijn echter waarschijnlijk via Vlaanderen bij ons terecht gekomen en daardoor nog maar half frans. Ravitaillering bijvoorbeeld, is in het frans gewoon ravitaillement. Een mecanieker is een mécanicien. Een andere naam voor de ploegleider is het volgens mij enkel in de wielersport voorkomende woord sportdirecteur, wat rechtstreeks afgeleid moet zijn van directeur sportif.

Er is zelfs een Nederlands wielerwoord dat perfect verfranst is zonder dat het tot het Frans terug te herleiden is. Vandaag kwam de ardoisier regelmatig bij de kopgroep met ritwinnaar Michael Matthews langs om het tijdsverschil met het achtervolgende peloton aan te geven. Zittend achterop een motor houdt hij een panneau – een bord – omhoog waarop met krijt de voorsprong in minuten en seconden staat geschreven. Een man met een bord… Dat noemen we, heel frans klinkend, een bordeneur. Prachtig toch?

Au revoir et les ballons!