Categorie: Filosofie

We zijn de tijd kwijt

Zondagmorgen, tijd voor een eitje. Tijdens het koken, speelt The Ship, het nieuwe album van ambient-goeroe Brian Eno. Ik besteedde al eerder aandacht aan hem en niet voor niets.
De vier nummers gaan over sterfelijkheid en hoe weinig grip we op tijd hebben. De Eerste Wereldoorlog komt voorbij, net als het vergaan van de Titanic. Deze gebeurtenissen begin 20e eeuw zetten vele revoluties in gang en vergden miljoenen slachtoffers.
In een interview over het album zegt Eno: ‘Veel mannen sterven teleurgesteld. Zijn schoonvader, een voormalig WHO-arts, hoorde vaak: ‘Tjonge, wat heb ik veel tijd verspeeld, ik had zoveel meer kunnen doen als ik dingen met iets meer aandacht gedaan of iets harder had gewerkt.’ Hoe goed ze het objectief ook gedaan mogen hebben, subjectief gezien had het altijd beter gekund.
Is het een mannelijk trekje dat we te hoge doelen stellen en daardoor teleurgesteld raken? Of hebben we de illusie dat we in die doelen een ‘waarheid’ vinden?’

Monoprint (Alecto, 1968)

Vorige maand werd ik 41 jaar. Een jaar ouder en voor mij altijd een tijd van onafwendbare reflectie. Meer dan anders voel ik dat er meer speelt. De midlifecrisis? Dat betwijfel ik; het is sowieso een overschat begrip. Een westers begrip dat kort gezegd de zin van het leven aan de kaak stelt.
Die ‘crisis’ heeft een begin en een eind. Hoewel sommigen van mening zijn dat er geen einde aan zo’n periode komt …
Het is voornamelijk een tijd waarin je je bewust wordt van je ‘eigen’ tijd.

Grip op tijd
David Pinto heeft goed uitgelegd hoe wij ons, in de westerse grofmazige (G-)cultuur, door tijd als ordeningsprincipe laten leiden. Economische uitgangspunten beïnvloeden onze tijd en planning. In een fijnmazige (F-)cultuur ervaren we tijd eerder als een cyclische beweging. Mensen zijn georiënteerd op het verleden en zetten tijd vaak af tegen de ‘eeuwigheid’.

Om aan te tonen hoe we in onze westerse levens proberen grip op tijd te krijgen, geef ik twee typische voorbeelden:

  • De Franse overheid neemt binnenkort een wet aan die e-mailverkeer na werktijd verbiedt. Men wil voorkomen dat werknemers ‘verzuipen’ in hun werk en het contact verliezen met partners en familie. In Frankrijk spreken ze over twee soorten tijd (met dank aan de oude Grieken); chronos en keiros. Chronos is vaste, in te delen tijd. Keiros is onbewuste tijd, creatieve tijd. Door de wet hopen de Fransen de ’tijd om te maken’ te waarborgen.
  • ‘In de jaren 80 en 90 praatte iedereen over het jaar 2000 en wat er daarna al dan niet zou gebeuren. In het nieuwe millennium heeft niemand het meer over wat er bijvoorbeeld in 2030 staat te gebeuren. In onze economie gaat het toch vooral over de korte termijn, waarin we hooguit vijf jaar vooruit kijken.’ (Citaat van Danny Hillis van de Long Now Foundation).

Monoprint (Alecto, ed. 200, 1968)

Innerlijke duur
Natuurlijk hebben geleerden al eerder en veel uitgebreider nagedacht over perceptie van tijd.
De Franse filosoof Henri Bergson (1859–1941) trok in de jaren twintig van de vorige eeuw volle collegezalen. Zijn voordrachten over tijd waren geliefd. De Nobelprijswinnaar literatuur stelde dat er twee soorten tijd zijn:

  • wetenschappelijk gezien is tijd een serie niet onderscheidende, gelijk ingedeelde momenten;
  • in de praktijk gaat het anders; soms vliegt de tijd voorbij. Op andere momenten lijkt een uur eeuwig te duren. Elk moment is dus anders.

Bergson laat de wetenschappelijke insteek links liggen. In zijn theorie beïnvloedt het verleden het heden en andersom. Hoewel het verleden niet ‘statisch’ blijft. Je huidige ervaringen beïnvloeden namelijk steeds opnieuw hoe je naar dat verleden kijkt. Dit noemt de Fransman de innerlijke duur of durée. Terwijl je leeft, vorm je als het ware je eigen verhaal.

Monoprint (for Mimi, 1968)

Eigen waarheid
Volgens Bergson wordt ons leven namelijk voortdurend bedreigd door het intellect; ons gezamenlijke weten en door uitwendige prikkels. De kwantificeerbaarheid (meetbare ‘ik’) van alles wat we doen legt een dikke korst om die innerlijke duur. Onze gedachten en bijvoorbeeld creativiteit zijn niet meetbaar. Die gedeelde regels en externe prikkels maken, volgens Bergson, dat het ‘diepe ik’ in opstand komt. Echt vrij zijn we volgens hem pas als we handelen vanuit dat diepe ik, de intuïtie, onder die korst. Daar ligt het zuivere bewustzijn.

In zijn meest geciteerde werk Creative Evolution (1907) betrekt Bergson deze analyse op het hele universum. Dat bewustzijn begint daar met een ‘élan vital’; de levenskracht.
Die illusie aan het begin van dit stuk is de tijd. Lineaire tijd beperkt onze levenskracht en creatief denken. De ‘waarheid’ ligt dus in ons eigen verhaal (durée), dat steeds weer verandert.
Die vermeende midlifecrisis verdwijnt in de meetbare tijd, de tijd die we gebruiken om een ei te koken.

Bronnen: andersoninstitute.com, bbc.com, longnow.org, ovo.com, Trouw en Wikipedia
Afbeeldingen: Peter Schmidt Web Blog

De eeuwige zoektocht van Jan Jacob Slauerhoff

Wie zich verdiept in verhalen en ervaringen rondom heimwee, thuis voelen en melancholie, stuit vroeg of laat ongetwijfeld op de Nederlandse dichter en romanschrijver Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936). Uit zijn gedicht ‘Woninglooze’ uit 1934 kunnen we het ook letterlijk opmaken:

“Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, nooit vond ik ergens anders onderdak”.

Wie zijn levensverhaal leest, wordt getroffen door de onrust die de in Leeuwarden geboren Slauerhoff voortdurend moet hebben gevoeld. Vanaf zijn studententijd is het raak met verhuizen. Het is dan ook niet raar dat hij kiest voor het vak van scheepsarts. Op zee lijkt hij in eerste instantie een soort van thuis te hebben gevonden, maar uiteindelijk leidt (of lijdt zou je bijna zeggen) hij tegen wil en dank een enorm zwervend bestaan. De onrust en twijfel beitelt zich in alle facetten van zijn bestaan, want naast alle kortstondige werk- en woonprojecten houdt hij het ook bij geen enkele vrouw lang uit.

In zijn gedichten moet Nederland het ook ontgelden, getuige ‘In Nederland’ (1936, dit is het laatste vers):

“In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.

Het gaat mij daar te kalm, te deftig,

Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord”.

 

Ten aanzien van dat mooie slot kunnen we puur feitelijk nog wel een kanttekening plaatsen, want kennelijk was de moord op zanger en cabaretier Jean-Louis Pisuisse en zijn vriendin Jenny Gilliams op het Rembrandtplein in 1927 door Gilliams’ voormalige geliefde Tjakko Kuiper niet voldoende…..maar afijn, de boodschap van Slauerhoff is helder en invoelbaar.

sep001198801ill0037
dbnl.org

Toch kan de Fries, wereldburger, zwerver of hoe Slauerhoff ook maar geëtiketteerd kan worden, nooit helemaal los komen van Nederland: hij ontwikkelde een echte haat-liefde verhouding. De dichter Benno Barnard bedacht in 1996 hiervoor zelfs ‘het syndroom van Slauerhoff’ als een mengeling van melancholie en een hunkerend verlangen om weg te zijn uit Nederland.

Over heimwee, identiteit en de zoektocht ergens te horen

De secretaris mag dan zijn serie over aanwezige heimwee allang gestaakt hebben – het tij is inmiddels volledig gekeerd -, het is nog evidenter geworden dat een flinke dosis weemoed en melancholie belangrijk deel uitmaken van zijn identiteit. Sterker nog: identiteit is welhaast synoniem aan je gehecht voelen, het “op je plek zijn.” Dit kan betrekking hebben op allerlei (levens)facetten, van heel concreet tot behoorlijk abstract.

Om jezelf met zulke gevoelens te verhouden, helpt het vaak om hierover van gedachten te wisselen met anderen en andermans verhalen te lezen of horen. Zo zei Annejet van der Zijl in Zomergasten van dit jaar over haar studiejaren: “Ik heb nooit het gevoel gehad dat de wereld op mij zat te wachten. Ik zat niet goed in mijn tijd.” De secretaris was zeer geraakt door Van der Zijl, zowel door de herkenbaarheid als de authenticiteit die er uit deze woorden sprak. De tijdgeest bepaalt volgens haar voor een belangrijk deel wie je wordt. “Ik wist niet goed wat ik met mijn leven moest. Misschien had ik de neiging om met een zekere afstand naar het leven te kijken. Ik was een buitenstaander.”

nouveau_binnenwerk
Annejet van der Zijl in Nouveau

Het is bijna voorwaartse heimwee; het zoeken naar een plekje voor jezelf in het universum. De secretaris kent dit gevoel maar al te goed: als het te ver doorschiet, kan het uitmonden in een nietsontziende existentiële angst. Het leven lijkt zich aan je te onttrekken en wanhopig probeer je weer in een trein te springen. Liefst een boemeltje, zodat je onderweg meer gelegenheid hebt om alles in je op te nemen en weer verbindingen aan te leggen.

Kortom, het is een ontdekkingsreis waarbij ook zomaar de bestemming kan worden bereikt. Een goede vriend van de secretaris berichtte laatst dat na een verhuizing deze zomer “het werkelijk thuiskomen is. Heb dit niet eerder gevoeld behalve misschien in mijn jeugd. Ben er enorm dankbaar voor.” Deze sensatie kan teruggebracht worden tot de niet alledaagse betekenis van het werkwoord ‘horen’: volgens mijnwoordenboek.nl “ergens zijn gewone plaats hebben.”

Helaas zijn er ook mensen die hier hun hele leven tevergeefs naar op zoek zijn. Ze maken daar soms dan wel prachtige gedichten over. Binnenkort meer……

Oostenrijkse geesteswetenschappers

De secretaris leest de laatste jaren zowel vanwege pedagogische redenen, zijn zoektocht naar identiteit alsook oprechte nieuwsgierigheid regelmatig het gedachtegoed van psychologen en psychiaters. Inmiddels is hem opgevallen dat een substantieel daarvan uit Oostenrijk komt. Over de oorzaak hiervan kan men zich heel wat hoofdbrekens getroosten, maar aangezien we het al over zware kost hebben, beperkt de secretaris zich hier tot een opsomming van enkele representanten:

Sigmund Freud (1856-1939): grondlegger van de psycho-analyse en zonder twijfel één van de meest invloedrijke psychologen van de 20 eeuw. Zijn theorie over Es, Ich en Uber-Ich is wereldberoemd. Heeft inmiddels minstens zoveel criticasters als aanhangers, maar ach, maakt dat veel uit? Inmiddels staat Einsteins theorie immers ook op losse schroeven….

Hans Asperger (1906-1980): kinderarts naar wie het syndroom van Asperger is genoemd.In 1944 merkte hij op dat een aantal kinderen die naar zijn kliniek in Wenen waren doorgestuurd, sterk op elkaar leken qua persoonlijkheidskenmerken en gedrag. Ze hadden een onderontwikkeld inlevingsvermogen, erg gevoelige zintuigen, ouwelijk taalgebruik en een egocentrische preoccupatie met een bepaald onderwerp. Wat opvalt aan Asperger, is dat hij, ondanks deze beperkingen, ook hun bijzondere talenten zag die ze in hun latere leven zouden kunnen ontplooien.

Bron: 9thplanet.org
Hans Asperger

Leo Kanner (1894-1981): van Asperger naar Leo Kanner is niet zo’n grote stap. Kanner, generatiegenoot van Asperger, was kennelijk niet op de hoogte van de onderzoeken van Asperger. Aan de andere kant van de oceaan (Baltimore) bestudeerde hij een ander deel van wat we nu het autismespectrum noemen. Hij beschreef een vorm van autisme met ernstige tekorten op taalkundig, sociaal en cognitief gebied. Pas vanaf de jaren ’80, onder aanvoering van de Britse psychiater Lorna Wing, werd het werk van Asperger en Kanner met elkaar verbonden.

Viktor Frankl (1905-1997): grondlegger van de logotherapie, een vorm van existentiële therapie die voortspruit uit zijn indrukwekkende levensverhaal. Voor WOII gaf hij leiding aan het zogenaamde “zelfmoordpaviljoen”, maar vanwege zijn Joodse achtergrond mocht hij geen Arische patiënten behandelen. Belandde in de oorlog zowel in Theresienstadt, Auschwitz en Bergen-Belsen en verloor al zijn familieleden, behalve zijn zuster. Door het lijden dat hij en anderen hadden ondergaan in de concentratiekampen kwam hij tot de opzienbarende conclusie dat zelfs in de meest absurde, pijnlijke en inhumane situaties het leven potentieel zinvol is. Deze conclusie vormde de sterke basis voor zijn logotherapie.

Bron: ksta.de
Paul Watzlawick

Paul Watzlawick (1921-2007): psycholoog en filoloog, die vooral bekend is in de communicatiewetenschap. Bedenker van vijf axioma’s, waaronder de stelling “het is onmogelijk om niet te communiceren”, waarvan het op zijn beurt onmogelijk is om die als student Bedrijfscommunicatie Letteren aan de (toen nog) KUN halverwege de jaren ’90 niet te hebben gehoord. Zijn communicatiepatronen zien we ook terug in de eerder door de secretaris aangehaalde Transactionele Analyse.

Melancholie mag (1): de vele gedaantes

Vorige week waren de voorzitter en de secretaris bij een bijeenkomst van Radboud Reflects, een programma van de RU dat een nieuwe blik wil bieden op ontwikkelingen in de filosofie, religie, politiek en kunst. Thema van de avond was ‘Melancholie’, een begrip waarmee de voorzitter en de secretaris zichzelf zeker verbonden voelen danwel geassocieerd (willen) worden. Het werd een interessante mengeling van debat, lezing, muziek, literatuur en film. Een fragmentarische impressie vindt u hier.

Wat voor inzichten hebben we deze avond opgedaan? Hmm, moeilijk…ja, dat het een ingewikkeld en veelzijdig begrip is. Het is in die zin een dankbaar onderwerp voor de filosofie, want praten en peinzen over melancholie levert meer vragen op dan antwoorden. Door aanwezigen werd geopperd dat melancholie zowel een negatieve als positieve kant heeft. Enerzijds is daar de weemoedige, depressieve inslag die handelt over verlies, verdriet en onbereikbare verlangens. Anderzijds is ook een positief perspectief te onderscheiden, zeker in de laatste decennia: melancholie staat daarin voor stilstaan en reflecteren in een jachtige maatschappij: een prettig soort vertraging met daarin de geruststelling dat het leven niet altijd dynamisch en succesvol hoeft te zijn. Melancholie mag er dus best wezen.

Bron: edublox.com
Claudius Galenus

Taalkundig is melancholie minstens zo veelzijdig. Letterlijk betekent het ‘zwarte gal’, Het stamt uit de tijd van de Griekse artsen en denkers Hippocrates en Galenus, bij wie melancholisch één van de vier ‘humores’ is naast sanguinisch, flegmatisch en cholerisch. Eigenlijk een heel moderne benadering, aangezien gemoedstoestanden werden gecombineerd met fysieke kenmerken (‘lichaamssappen’). In de loop van de eeuwen heeft het begrip nogal wat gedaantewisselingen ondergaan, onder invloed van het tijdsbeeld en gezaghebbende denkers of geschriften.

De lijst woorden in een andere taal die weliswaar geen directe vertaling zijn van melancholie, maar er wel aan verwant zijn, is even indrukwekkend lang als mooi: spleen, ennui, mal du siècle, saudade, Weltschmerz, Fernweh, toska en duende. Ook in het Nederlands zijn er aansprekende woorden die er tegen aan schurken: weemoed, heimwee, zwartgalligheid (atrabiliteit zo u wilt) en mistroostigheid.

Naast deze vele betekenissen en gedaantes is het gebruik in literatuur, (schilder)kunst, film en muziek ook talrijk. De voorzitter en de secretaris zijn dan ook nog lang niet klaar met hun melancholisch gemoed en hopen de komende tijd zo nu en dan hun licht te laten schijnen over deze toch wat donkere materie.