Categorie: Sport

De serve and volley speler: een uitstervend ras

Het internationale toptennis kent momenteel een ongekend hoog niveau, wellicht het beste in de ruim 100-jarige tennishistorie. Federer, Djokovic, Nadal, Murray en Del Potro zijn zeer complete spelers die eigenlijk elke slag wel beheersen. Daarnaast combineren ze hun aangeboren klasse met heel hard werken en een gedisciplineerd bestaan. Toch mist de secretaris iets. En nee, dat is niet eens zozeer de glamour of vreemde capriolen van de tennissterren van weleer, zoals Connors, McEnroe of Noah. Bekijk je de huidige ATP-top 100, dan staat er slechts één rasechte serve and volley speler in, de Fransman Michaël Llodra.

Nog niet zo lang geleden waren ze weliswaar evenmin dik bezaaid, maar sprongen er genoeg van rond: de Australiërs Philippousis en Rafter, onze eigen Siemerink, de Britten Henman en Rusedski en met een beetje coulance konden ook Sampras en Krajicek tot dit bijzondere gilde worden gerekend. De oorzaken van de teloorgang van de aanvallende speler lijken ondertussen wel bekend: iets grotere, zwaardere ballen, gras op hardere ondergronden en andere maatregelen die het servicegeweld een beetje moesten indammen. Maar deze goedbedoelde acties hebben echter nauwelijks de opslag, maar juist de volleys enigszins de nek omgedraaid.

Michaël Llodra. Bron: 20minutes.fr

Maar Llodra lijkt zich weinig aan deze feiten gelegen te laten liggen. Met fris en aanvallend spel weet hij menig baseliner nog in de luren te leggen. Twee van zijn vijf single ATP-titels won Llodra overigens in Nederland: in 2004 Rosmalen en 2008 Rotterdam. In het dubbelspel is hij uitermate succesvol: hij wist met verschillende landgenoten meerdere grand-slam toernooien te winnen. Helaas bevindt de linkshandige Fransman zich in de herfst van zijn tennisloopbaan. Met 32 jaar zal hij zijn fanatieke tripjes naar het net niet zo lang meer vol kunnen houden.

De vraag is wie te zijner tijd zijn leegte kan invullen. Misschien tovert Australië, toch de bakermat van het serve and volley spel, weldra een nieuwe Cash of Rafter uit de hoed?

Van Peppen for Oranje

Louis van Gaal haalt twee nieuwe gezichten bij de selectie van Oranje, voor de oefeninterland tegen Italië volgende week. Naast middenvelder De Guzman mag ook Ajax-linksback Daley Blind genieten van deze primeur. Van Gaal valt te prijzen voor zijn selectiebeleid. Hij staart zich niet blind -onbedoelde woordspeling trouwens- op de gevestigde namen en durft ook wat minder ervaren, maar talentvolle voetballers uit te nodigen. Wat daarbij wel een beetje jammer is, is dat Van Gaal zich vaak beperkt tot de top 5 clubs van Nederland.

De secretaris gunt Blind deze invitatie best, maar had graag al eerder een ander opvallend goed presterende linkervleugelverdediger aan de spelersgroep zien worden toegevoegd. Het gaat hier om de linksback van RKC, Ard van Peppen. De 27-jarige linksback van de Waalwijkse club is aan een zeer constante reeks wedstrijden bezig. Vorig jaar viel hij op door zijn sterke aanwezigheid en aanvallende rushes aan de linkerkant. Het prototype van een moderne verdediger, precies in het straatje van Van Gaal, zou je zeggen. Daarnaast beschikt hij over een prima voorzet, een eigenschap waar het nog te vaak aan ontbreekt in veel selecties.

Bron: voetbalprimeur.nl

De donkere Van Peppen heeft wel iets weg van een bekende voorganger op die positie, Giovanni van Bronckhorst. Wellicht dat het hem dat nog iets kan helpen om in buurt te komen van het Nederlands Elftal, maar waarschijnlijk is dat niet. Meer kans zal Van Peppen krijgen, als hij nog een stapje hoger kan zetten naar een (sub)topper in Nederland, zeker nu RKC Waalwijk langzamerhand iets wegzakt op de ranglijst. De secretaris hoopt dat Van Peppen ooit eens het oranje shirt over zijn hoofd mag trekken en dan bedoelt hij natuurlijk niet het tricot van FC Volendam. Een handtekeningenactie gaat wat ver, maar laat dit beetje media-aandacht hem alvast een stevige schouderduw geven!

 

De wielermaffia – Tyler Hamilton (+++1/2)

Stukje bij beetje is de afgelopen tijd duidelijk geworden hoe de wielerwereld de gewone wereld jarenlang voor de gek gehouden heeft. Voor wie wil weten hoe het precies in elkaar zat maar geen zin heeft in het lijvige rapport van Usada over Lance Armstrong is er een prima alternatief. Het ligt sinds kort in de winkel en heet in het Nederlands De Wielermaffia. Het boek van Tyler Hamilton, jarenlang ploeggenoot, buurman en concurrent van the Boss heet in het engels The Secret Race, maar na het gelezen te hebben concluderen wij: die Nederlandse titel is beter.

Maffia was het, als we Tyler moeten geloven. En waarom niet? Het zal misschien niet the truth, the truth and nothing but the truth zijn, maar de bekentenissen zijn dermate gedetailleerd dat wij over de geloofwaardigheid van zijn verhaal minder twijfels hebben dan we over de wielersport zelf jarenlang hadden. Het is de geschiedenis van een getalenteerde, jonge Amerikaanse renner die naar Europa komt en de keuze maakt om het spel van de echte mannen mee te spelen. Het levert hem geld, roem en stress op. Hij wint Olympisch goud, maar valt hard door de mand. Alles bij elkaar toch weer een treurig gedoe.

Misschien klinkt het gek, maar de Beschermheer werd met de pagina vrolijker. Bloedzakken, testosteroneieren, EPO, dus dáárom was hij zelf bij lange na niet goed genoeg om echte potten te breken in de wielersport! Tyler Hamilton neemt ons allemaal misschien een illusie af, maar hij doet mij er ook eentje cadeau! Met terugwerkende kracht mogen wij denken dat we de Tour hadden kunnen winnen, als… :).

Een mooie inkijk in een verrotte wereld van een wielrenner die wel erg hoog opgeeft van zijn eigen vermogen om pijn te leiden. Drieëneenhalve ster!

Hindernisjes bij hardloopwedstrijden

De secretaris pikt de laatste jaren in herfst of winter hier en daar een hardloopwedstrijdje mee. Daarbij wordt hij altijd vergezeld door minimaal één supporter, meestal zijn vader, en soms door andere toeschouwers of medelopers. De sfeer bij hardloopwedstrijden is zonder uitzondering goed te noemen. (Wedstrijd)atleten zijn een vriendelijk en sportief -in meerdere betekenissen- volkje. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat voor veel hardlopers – enkele felle atheïsten daargelaten- het adagium ‘Ieder voor zich, God voor ons allen’ zal gelden. De andere lopers zijn in letterlijke zin wel concurrenten, medelopers, maar niet in de meest gebruikelijke betekenis van het woord.

Toch zijn er bij hardloopwedstrijden wel enkele merkwaardige fenomenen waar te nemen waar een onervaren enthousiasteling wel voor gewaarschuwd dient te zijn. De ellende kan namelijk al beginnen voorafgaand aan de race, namelijk in het startvak. Bij grotere wedstrijden vindt er een hele organisatie plaats rondom de indeling van startvakken met geschatte eindtijden van lopers. Vaak wordt er gewerkt met benauwende hekken die de toch al zenuwachtige atleten verder doen opjagen. En ook met deze werkwijze zijn er saboteurs en voordringers die organisatie en andere lopers haast letterlijk de voet dwars zetten.

Een ander verschijnsel dat zich de laatste jaren steeds meer manifesteert, zijn de zogenaamd leuke animators die de mensenmassa probeert klaar te stomen danwel op te hitsen voor de alras naderende wedstrijd. Soms gebeurt dit in de vorm van een volstrekt onnodige (het gros heeft dat al lang gedaan) en onprofessionele warming-up, in een ernstiger geval verschijnt er een clownesk figuur die de concentratie van de lopers afbreekt met enkele zeer flauwe grapjes en clichés. Het dieptepunt wordt helemaal bereikt als deze jodokus vraagt om hem of haar na te zeggen.

Bron: gelderlander.nl

Helaas is er bij hardloopwedstrijden ook een aantal mensen aanwezig die over zeer weinig zelfinzicht beschikt. Hun hardloopcapaciteiten volledig overschattend vertrekken ze als een speer om vervolgens in het tweede deel dit flink te bezuren en de laatste kilometers in een slakkengangetje af te leggen. Ze zijn daarbij een flinke sta in de weg voor lopers achter hen die zich soms aan risicovolle manoeuvres moeten wagen om hen in te halen.

Voorts is daar, bij langere afstanden, het fenomeen van de drankpost. Lopers die het milieu een warm hart toedragen, zullen zich de eerste keer rot schrikken van het slagveld dat om de drankpost heen ontstaan is. Tegelijkertijd rijst de vraag: hoe kom ik ongeschonden en zonder al teveel tijdverlies toch aan noodzakelijke druppels vocht? Wellicht helpen deze tips u uit de brand. Het best is om uw heil te zoeken in het achterste deel van de drankpost, waar vaak veel meer ruimte overblijft. Het tegelijkertijd lopen en drinken valt ook nog niet mee: de secretaris heeft de juiste techniek in ieder geval nog niet onder de knie.

Het voordeel van hardlopen is dat bij de finish dit mogelijke leed al lang geleden is. Door de ‘runners high’ , de voldoening en de solidariteit van de andere bezwete en rode koppen heerst vooral tevredenheid. Kortom: hardlopen is best gezellig!

Van Mart naar Herman

De secretaris is verheugd weer een nieuwe gastauteur te kunnen introduceren, die na het schrijven van dit blog ambitieuze plannen kreeg om zich in de toekomst meer te gaan verdiepen in de kunst van het bloggen. Het betreft collega Rutger Wilhelm die zijn licht laat schijnen op een lopende internethype: hoe moet het verder met Mart Smeets?

Hebt u het al gehoord, dames en heren? Het is hét trending topic in de sportwereld de afgelopen dagen. Mart Smeets gaat stoppen. “Dé Mart Smeets?”, zult u zeggen. Ja. Zo’n beetje honderd jaar heeft hij het sportnieuws bij u in de huiskamer gebracht. U, met het bord op schoot voor de buis. Hij heeft ge-wel-di-ge historische sportmomenten van zéér dichtbij mogen meemaken en heeft alles gezien en gedaan wat er in de sportwereld te zien en te doen is. En als ik zeg ‘alles’, dan bedoel ik ook álles. Maar ook voor zo’n oude rot in het vak – en dat bedoel ik met het grootst denkbare respect, dames en heren -, valt ooit het doek. Het is finito. Basta. Schluss. En als je gedurende zoveel jaren je sporen in deze wereld hebt verdiend, dan hoef je je niet meer te bewijzen. Dan weet je waar Abraham de mosterd haalt. Dan tel je mee. Dan bén je iemand. En iedereen heeft respect voor je.

Mart, bron: eo.nl

Om Mart is veel te doen geweest. Aanmoedigend applaus of boegeroep, er zit bij Mart weinig tussen. We kennen hem als de pater familias, de patron van het Nederlandse sportnieuws. Toch twijfel ik wel eens aan mijn gevoel voor Mart. Ja, hij heeft veel vakkennis. En ja, hij beschikt over de flux de bouche. En ja, een studio zonder Mart oogt leeg.

Maar soms is ie het gevoel even kwijt, die aansluiting met de sporter en het publiek. Zoals met volleybalaanvoerster Flier. Ze hadden zich niet gekwalificeerd voor de Spelen. Veren in de reet bij de winnaars, trap omlaag naar de verliezers. Ai. Tenenkrommend. Manon hield het uiteindelijk niet droog. Mooie TV, zou je denken, emotie verkoopt. Maar niet altijd. Niet als het niet écht spontaan gebeurt. Niet als het zoeken is naar emotie. Trekken en sleuren, dat werk. Is het er wel, dan ontstaat er magische televisie. Denk maar aan Anky, Epke, of Maartje. Critici draaien er al jaren niet omheen. Het gaat niet om de sporters. Niet echt. Het gaat om het verhaal, de beleving eromheen. Met Mart als meesterlijk verteller. Story telling heet dat. Ben je goed, dan krijg je een belangrijke bijrol. Ben je héél goed, krijg je een van de hoofdrollen. Ben je dat niet, dan behoor je tot de figuranten, het ensemble in de grote Mart Smeets-show. Mogen we dat zo zeggen? Ja, dat mogen we zo zeggen.

Hij mag dan van het toneel verdwijnen, we zijn nog lang niet van hem af. De meester zelve heeft zijn gewenste opvolger al aangekondigd: Herman van der Zandt. Wie? Herman van der Zandt! Uhm. Precies. Vraag het een willekeurige honderd mensen op straat en met veel geluk toont een enkel persoon spontaan een blik van herkenning. Terwijl de beste man toch aardig wat jaartjes op tv meedraait. Mart vindt hem geestig. Knap vindt ie het hoe Herman met zijn hand losjes over het touchscreen swipet. En een goede wielrenner bovendien. Een waardig opvolger staat klaar, aldus Mart.

Trappen wij hier met z’n allen in? Hoe vaak heeft u om Herman gelachen door een rake kwinkslag, een vrijpostige opmerking, een speels bruggetje, of een stoutmoedige glimlach? Of doordat hij zijn tafelgenoot eens lekker stevig bij de spreekwoordelijke ballen grijpt? Vergeleken met Mart heeft Herman de flair van – hoe zullen we dat eens netjes zeggen – een pannenkoek. Herman heeft het élan dat inderdaad goed bij de Paralympics past. Neen, het is niet aardig, maar dit hoort ook bij de sport, dames en heren. Zo is het leven. Niets ten nadele van Herman, overigens.

Herman, bron: noordhollandsdagblad.nl

Mart bepaalt zelf zijn opvolging, híj regisseert. Het Nederlands publiek zal alleen hém herinneren. De godfather van de sportjournalistiek. Meesterzet. Stelt u zich het afscheid van Mart eens voor. Komt Herman dan de loftrompet over hem afsteken? Mart doet het nog liever zelf. Was getekend, Mart. Je zult het maar hebben, op zo’n moment Mart Smeets heten. Dan nog liever Herman van der Zandt. Toch zal ik hem missen, mon ami. Sterker nog, ik mis hem nu al. Staat u mij toe, dames en heren, om het maar gewoon te zeggen, om er geen doekjes meer omheen te winden? Laten we het beestje maar gewoon bij z’n naam noemen. En plein public. Mart is de beste sportpresentator in de vaderlandse geschiedenis. Ere wie ere toekomt. Vriend en vijand zijn het er over eens. ‘We’ zullen met z’n allen zeggen dat hij een standbeeld verdient. En ‘we’ zijn allen bereid onze belastingcenten daarvoor aan te wenden. Want Mart heeft ons veel gegeven.

Dan schrijven we 2028. De Spelen in Amsterdam zijn net afgelopen. Op internetradio hoort u de opvolger van Herman zeggen: “Weet u het nog, dames en heren? Eind 20ste, begin 21ste eeuw, Mart Smeets? Gaat er een belletje rinkelen? Het icoon van de Nederlandse sportjournalistiek, presentator pur sang. Hij had een sporthart, hij is niet meer”. En Herman pinkt thuis een traantje weg. Mooi, die emotie.

Matthew Cronin – Borg vs McEnroe; de grootste tennisrivalen ooit (++++)

Tennisliefhebbers komen er in de literatuur maar bekaaid vanaf. Waar wieler- en voetbalfans het hele jaar door lezend over hun favoriete sport kunnen doorbrengen, moeten zij het doen met een sporadische uitgave. Maar als zelfs de niet bepaald sport-georiënteerde krant Trouw aandacht besteedt aan een nieuw tennisboek moet er wel iets moois verschenen zijn. Het betreft hier het bij Thomas Rap uitgegeven ‘Borg vs McEnroe; de grootste tennisrivalen ooit’, geschreven door de Australische tennisjournalist Matthew Cronin. De ondertitel is, gelijk een tiebreak, een dubbeltje op zijn kant. De duels Nadal-Federer zijn inmiddels ook legendarisch om nog maar te zwijgen van Edberg-Becker of Sampras-Agassi in een nog niet zo grijs verleden.

Het interessante aan Cronins boek is dat hij uitgebreid ingaat op de (tennis)jeugd en opkomst van de tennisgrootheden Björn Borg en John McEnroe. Hij wisselt deze hoofdstukken geslaagd af met eeen verslaggeving van de Wimbledonfinale tussen beide heren in 1980. Heerlijk om als liefhebber eens een uitgebreide rapportage voorgeschoteld te krijgen van een tennisfinale; de doorsnee krant loopt hier immers ook niet van over.

Borg en McEnroe zijn in hun jeugd al verschillende figuren: Borg is een gedisciplineerd trainingsbeest dat een bizar aantal uren op de tennisbaan aflegt. McEnroe speelt liever partijtjes dan dat hij zijn trainingen gedwee afwerkt, maar zijn talent is onmiskenbaar. En waar Borg op een gegeven moment zijn (puberale) woede-uitbarstingen onder controle krijgt, blijft McEnroe soms onweerstaanbaar. Cronin probeert door zijn gesprekken met andere spelers, coaches en zelfs sportpsychologen McEnroes onaangepaste gedrag te verklaren, maar een duidelijk antwoord houdt de lezer er niet aan over. Opvallend wel is dat ‘Mac’ zijn beruchte optredens nimmer ten toon spreidde tegen Borg, zeer waarschijnlijk omdat de flegmatieke Zweed de enige speler was waarvan hij van zichzelf mocht verliezen.

Bron: boeken-kopen.nl

Wonderbaarlijk is ook dat McEnroe bijna altijd met zijn soms illegale gedrag wegkwam. Sommige spelers konden het bloed van de Amerikaan door zijn provocaties en spelbederf wel drinken, maar gek genoeg grepen scheidsrechters en toernooidirecteuren toen zelden in. Wellicht waren de toppers in die tijd zulke grote helden dat ongewenste uitspattingen met de mantel der liefde werden bedekt. Het netwerk van McEnroe met andere VIPS was ook enorm groot: met name wereldberoemde acteurs en actrices weken nauwelijks van zijn zijde.

Bij Borg is zijn relatie met de zeer extraverte en helaas veel te vroeg overleden Vitas Gerulaitis frappant. De twee zijn ogenschijnlijk tegenpolen: de koele, rustige en vrij teruggetrokken Borg versus het charmante, sociale feestnummer Gerulaitis. Later in zijn loopbaan gaat de Zweed steeds meer tot in de late uurtjes stappen met de Amerikaan van Litouwse komaf, om op de een of andere manier de volgende dag toch weer fris op de tennisbaan te staan. Tennistechnisch blijft vooral Borgs onverstoorbare houding en slagen op de ‘big points’ bij: hij verklaarde dan net even wat meer en anders te kunnen doen dan normaal: alsof hij doorgaans op 90% speelde en op de belangrijkste momenten zijn uitzonderlijke klasse kon etaleren.

Genoeg stof dus voor de tennisliefhebber om eens lekker op de bank of campingstoel te gaan zitten met het boek van Cronin. Af en toe valt hij wel in herhaling met de ‘clowneske’ Nastase en de ‘irritante’ Connors. Ook vergaloppeert hij zich een beetje door te pogen met het politieke klimaat van destijds de tennissport te duiden: zijn geopperde verbanden zijn daarbij te kort door te bocht. Niettemin blijft er, mede door de bovengenoemde constructie, een prima boek over dat zeker de fans van toen zal enthousiasmeren en voor hen herkenning zal oproepen: ++++.