Categorie: tdb

Indrukwekkende sportvrouwen (4): mevrouw de Beschermheer

De voorzitter heeft gelijk. Als er één sportvrouw niet mag ontbreken in deze onvolprezen serie, dan is het wel mevrouw de Beschermheer. Zij startte haar sportcarrière op een pleintje bij haar ouderlijk huis. Daar werd gevoetbald met jongens uit de straat. Eentje heette er zelfs Jos, kun je nagaan hoe oerhollands het er daar aan toe ging. Van het pleintje werd – te laat eigenlijk – de stap gezet naar de voetbalclub, achtentwintigste onderklasse KNVB. Er werd op zondag genoujavoetbald (naast biggentennis bestaat er ook biggenvoetbal), de hervormde familie kneep een oogje dicht. Mevrouw de beschermheer kon een prima balletje trappen, maar niets wees er toen nog op dat er ooit een landskampioensmedaille in ons keukenlaatje zou komen te liggen. In de studietijd kwam mevrouw de Beschermheer per toeval eerst bij SV Hatert en later bij topclub Saestum terecht. Vooral die laatste stap opende deuren. Terwijl de jaren voorbij gingen, hield Mevrouw de Beschermheer zich verrassend goed staande tussen de steeds jonger wordende dames om haar heen. Zoals veel geroutineerde spelers zakte zij elke paar jaar een linie terug, om te eindigen in de verdediging. Tegelijkertijd klom ze echter ook elke keer een elftal hoger en kwam uit ergens tussen het tweede en het eerste elftal van de landskampioen. Met haar doorzettingsvermogen, gevoel voor fair play en positieve instelling groeide zij uit tot een ambassadeur van de teams waar ze in speelde. Behalve voorstopper was zij ook aanvoerster en vraagbaak voor het jonge grut. Een waar boegbeeld dus. Op het hoogtepunt van haar carrière speelde ze af en toe mee in het eerste elftal en kreeg ze als bankzitster een medaille bij het landskampioenschap. Bovendien mocht ze voor de UEFA Womens Cup mee naar Zweden. Na haar actieve carrière was zij nog een tijd lang team manager bij FC Utrecht, totdat haar gezinscarrière definitief voorrang kreeg.

Nu fietst mevrouw de beschermheer af en toe, want ze heeft van de beschermheer een hele kekke racefiets gekregen. De Mont Ventoux heeft ze al gehad. Vastberaden ploegde ze over de steile stroken van de reus van de Provence naar boven. Haar eerste echte beklimming was trouwens de pittige Col de Marie-Blanque, waar ze door een zich verkneukelende beschermheer naartoe werd gestuurd als antwoord op de vraag of hij niet een leuk rondje wist in de buurt van de camping. Toen ze terugkwam bleek ze zich, onvoorbereid en zonder ervaring, gewoon naar de top geworsteld te hebben. “Maar ik moest wel heel erg hijgen”, zei ze erbij.

Voor (rokers)paal

De secretaris is niet altijd een positivo. Gelukkig maar ook, want mensen die altijd lachen en optimistisch zijn, dienen met argwaan te worden aanschouwd. Van sommige geluiden, geuren of aanblikken kan ik behoorlijk treurig worden. Mijn depressieve buien in mistroostige hotelkamers zijn bekend, maar wat dacht u van de nog niet zo lang geleden in het leven geroepen rookpalen op NS-stations?

De paal zelf is al geen esthetische creatie: kleurloos, goedkoop en verwaarloosd doemt die op, vaak op de meest winderige plek op een perron. De mensen die erbij staan, zijn echter nog een graadje erger. Het zijn vaak halfdode schepsels die wanhopig proberen hun verslaving voeding te geven. Hun krijtwitte gelaten vormen een geheel met het  wit van de paal, hetgeen leidt  tot een droevig schouwspel, waar zelfs Hoppers schilderijen nog een puntje aan kunnen zuigen. En zuigen dat doen ze, deze rokersfanaten, met ineengekrompen schouders om de koude te trotseren. Met enig geluk zwermt de rook langs hun gammele gestalten waardoor ze voor de omstanders als schimmen in de aangetaste lucht verdwijnen. Het angstaanjagende geluid van een langsdenderende intercity completeert het treurige gemoed.

Rokerspaal, bron: www.writersblock.net
Rokerspaal, bron: http://www.writersblock.net

De Dalai Lama op bezoek

Ziezo, de Dalai Lama is uitgezwaaid. We kunnen dus de balans opmaken van het bezoek van de man met de oranje jurk. Wij van NUt hebben genoten. Onze landgenoten zijn erg vermakelijk, onze Chinese vrienden evenzeer. Het geheel deed ons een beetje denken aan een nogal langgerekte “Don’t mention the war!” scene. Het is een toneelstuk geworden waarbij alle belangrijke acteurs het tegenovergestelde bereikten van wat ze wilden. De Nederlandse regering besloot – onhandig en laf – de Dalai Lama door de minister van buitenlandse zaken te laten ontvangen als religieus leider teneinde de Chinezen niet voor de borst te stoten. Die waren vervolgens desondanks allesbehalve amused en zorgden er met hun halstarrige gedoe voor dat het Tibet probleem weer eens flink op de kaart werd gezet. En de Lama zelf werd door Freek de Jonge tot feodale leenheer bestempeld en draaide, heel Aziatisch, nogal lacherig om de hete brij heen, Hij zei daarbij enkel gekomen te zijn voor de boodschap van de innerlijke rust. Of zoiets. Een houding die hem volgens ons in ons land nogal wat sympathie gekost heeft. Dat hij een groot denker zou zijn, haalde de beschermheer er in ieder geval niet uit.

Ondertussen ligt in Tibet een klein meisje wakker. Ze piekert zich suf waarom sommige dingen niet mogen. Ze snapt het niet. Wij ook niet.

De kunst van het barbecuen

De voorzitter vertelde ons onlangs dat hij thuis een gloednieuwe barbecue heeft staan. Zó nieuw dat hij nog in de verpakking zit. De voorzitter is er de man niet naar om boven een dikke, vette rookwolk runderlappen te gaan staan draaien, vandaar. “Trouwens”, zei hij erbij, “ik heb ook geen tuin.”

Barbecuen dus. Een zomersport die al net zo moeilijk is als het correct schrijven van het woord barbecue. Oftewel, het lukt velen niet om het op de juiste wijze te doen. Met half gaar en verbrand vlees, bosbranden en voedselvergiftigingen tot gevolg. Een mens gaat zich afvragen waarom zovelen zich hier ieder voorjaar weer op storten. Welnu, de barbecuende man (jazeker, vrouwen barbecuen zelden) komt in de buurt van zijn natuurlijke roeping: die van de jager die met zijn blote handen een konijn vangt, deze met zijn tanden vilt en vervolgens braadt op een zonder lucifers, aanmaakblokjes en aanstekers aangelegd, rookloos vuurtje.

Maar verdomd, met de eeuwen zijn we het wel een beetje verleerd. En zo gemakkelijk is het ook niet. Elke barbecue reageert weer anders op de omstandigheden (veel lucht, weinig lucht, veel kool, weinig kool, etc.). Bovendien kan net bij die ene die je aanschaft het rooster niet in hoogte variëren. En last but not least: barbecuen vraagt wat geduld. Iets wat velen ook al niet hebben.

Kortom, hoog tijd dat we hier even toelichten hoe het ook alweer moet. De beschermheer pleit culinair gezien graag voor de traditionele houtskoolbarbecue. Alleen die geeft de echte barbecuesmaak. Dus, elektrisch- en gasbarbecuen… allemaal leuk en aardig, maar niet het echte werk. Stook met hout een vuurtje in je barbecue. Een niet te klein vuurtje, maar hou het wel in de hand. Niet letterlijk natuurlijk. Als het goed fikt, gooi er dan een flinke lading houtskool overheen. Wacht nu tot het vuur gedoofd is en de houtskool wit uitslaat. Dit duurt ongeveer een half uurtje, dat u mooi kunt benutten met het leeglurken van een fles goedkope rosé of het voorbereiden van tomaten, basilicum en mozzarella, een eenvoudig voorgerecht dat het altijd goed doet bij bbq gelegenheden. Vervolgens legt u de te barbecuen etenswaren op het met olie licht ingesmeerde rooster. Dit rooster legt u niet te dicht boven de hittebron. Laat nu het vlees/ de vis rustig garen en keer het regelmatig om. Veel vlees is gemarineerd op zijn lekkerst en sommige soorten vis gooi je het best omwikkeld met aluminium folie op de barbecue. Wie geen hout heeft om een vuurtje te stoken, kan ook aanmaakblokjes gebruiken, da’s veiliger dan spiritus of in het holst van de vorige nacht van de buurman zijn auto afgetapte benzine.

Goed, de beschermheer gaat proberen de voorzitter over te halen om samen gamba’s te grillen boven zijn gloednieuwe exemplaar. Dat spreekt hem vast meer aan dan dikke speklappen of sappige hamburgers. Die doen maar denken aan verkeerde fastfoodketens. En het moet wel gezellig blijven natuurlijk.

Nieuw in Utrecht: Bresson

De voorzitter mocht bijna een jaartje bijschrijven, een mooi moment dus om de Utrechtse binnenstad samen met een bezoek te vereren. Bij Louis Hartlooper attendeerde de achterzijde van de uitloper ons op een onlangs geopend etablissement aan de Oudegracht: Bresson. Dit zou volgens de advertentietekst een heuse Franse brasserie moeten zijn, alwaar de bezoeker zich in Parijs zou wanen. Nu is de beschermheer van NUt een afgestudeerd francoloog, dus we hadden alle reden om het waarheidsgehalte dezes eens te controleren.

Onderweg er naartoe moest de beschermheer denken aan het dorpje St. Bresson dat zich bevindt op de grens van de Hérault en de Gard. Bovenop een bergrug gelegen, niet meer dan een twintigtal huizen, een kerkje en wat moestuintjes op de voor die streken zo kenmerkende terrassen met stenen muurtjes. Verder alleen het gele postautootje dat eenmaal daags langsrijdt. Maar mensen, wat een uitzicht!

Goed, wij stapten dus bij Brasserie Bresson naar binnen. Het interieur daar deed inderdaad denken aan een Parijse brasserie. Er hingen wat late dertigers rond, die elkaar, ook heel Frans, zoenden bij binnenkomst. Verder was het in het niet-restaurantgedeelte wat stil. De obers waren gekleed zoals iedereen denkt dat Franse obers gekleed zijn, wat in de praktijk meestal helemaal niet zo is. De rosé werd aan tafel ingeschonken om het geheel een exquise tintje te geven. Het was geen slechte rosé. Wij vielen een beetje stil en concludeerden dat we eens zouden moeten eten bij Bresson om te kijken of de joie de vivre die de website belooft ook echt waar gemaakt wordt. De beschermheer rekende af en we zochten een iets bruinere gelegenheid op in de vorm van De Vingerhoed. “Verdomd”, zei de voorzitter nadat hij zich daar  aan het raam geïnstalleerd had. “Dit is precies dezelfde rosé.”

Een dagje circuit

Door een speling van het lot bevond de beschermheer van NUt zich gisteren zomaar op een heus racecircuit. Op het TT Circuit werd geraced door trucks, een nogal tragikomische bedoening die wij van NUt met alle liefde even voor u bespreken. Is zo’n dagje circuit misschien een leuk uitje voor de moderne heteroman? Of kan het hele gezin zelfs mee?

Ligt eraan wie of wat u bent. Het publiek dat op dit evenement af bleek te komen werd vooral gevormd door mannen met korte spijkerbroeken, snorren en tatoeages, bijgestaan door vrouwen met slecht passende topjes. Het was goed weer, vandaar. Herkent u zichzelf hierin? Grote kans dat u het ook leuk vindt!

Op de paddock, zeg maar de parkeerplaats bij het circuit waar gasten ontvangen en auto’s door uitermate serieus kijkende monteurs onder handen genomen worden, ontdekten we ontzettend veel wannabe’s. Merkkleding van het team aan, zonnebril op, glinsterende gebitten. Jaja, in de lagere raceklassen is het zaak zoveel mogelijk op de Formule 1 te lijken, want dan is het net echt.

Datzelfde gevoel bekroop ons toen we de start van de truckrace gingen bekijken. Echte pitbabes hielden gele bordjes omhoog, terwijl de trucks omringd werden door nog steeds serieus kijkende monteurs. Toen het hele spul eenmaal vertrokken was met veel rook en lawaai, bleek de race vervolgens voor de neutrale volger best wel beresaai. Nee, dan was  de ADAC race die daarvoor werd verreden net even wat leuker. Die auto’s zagen er tenminste uit als raceauto’s. En er spinde er ook nog eentje bij het begin van het rechte stuk. Hij spatte dan wel niet uit elkaar, maar het was toch leuk om te zien.