Tag: 1983

Eighties-nostalgie (XXVI): Taco

Terug van het zomerreces bouwt de secretaris weer verder aan de Eighties-nostalgie reeks en dit keer zoekt hij het dicht bij huis. In 1983 verscheen een opvallend nummer in de vaderlandse Top ’40, aan de hand van Taco, getiteld ‘Puttin’ on the ritz’. Zowel over de artiest, het nummer als de clip valt het nodige te vertellen.

Taco heet voluit Taco Ockerse, een in Jakarta geboren Nederlander met hagelwitte tanden. Hij groeide op in diverse landen en zocht zijn muzieksucces ook mondiaal, zodat hij relatief weinig bekendheid geniet in ons eigen land. Vooral rond de jaren ’80 combineerde hij oude muziekstijlen met synthesizers en wist zo een eigen sound te creëren.

Puttin’ on the ritz is hier zijn bekendste voorbeeld van. Het is van oorsprong een compositie van Irving Berling (1927) en werd als eerste tot een succes gebombardeerd door Fred Astaire. Nadien werd het door vele artiesten gecoverd, o.a. door Ella Fitzgerald. De titel is een verwijzing uit de straattaal naar het modieus gekleed gaan, iets wat destijds door het chique Ritz hotel werd ingegeven. De versie van Taco is bijzonder mede ook door de eerder genoemde samensmelting van stijlen. Daarnaast sluiten de tekstregels feilloos op elkaar aan, hetgeen het nummer een aantrekkelijke vlotheid meegeeft.

De clip is zeker de moeite waard: het is enerzijds een ode aan Fred Astaire, maar vertoont daarnaast ook gelijkenissen met het latere ‘Smooth criminal’ van Michael Jackson. Cinefielen zullen echter ook een vleugje van de film ‘The Jazz Singer’ (1927) terugvinden, mits ze de ongecensureerde versie afspelen, want dit fragment leidde destijds tot controverse. De beruchte ‘blackface’ in de clip – Taco had zijn gezicht zwart gemaakt – werd als racistisch beschouwd.

In Amerika gooide Puttin’ on the ritz ondanks (of dankzij?) deze heisa hoge ogen. Het nummer verkocht meer dan een miljoen exemplaren, hetgeen slechts met vier andere Nederlandse singles gebeurde.

Secretaris’ muzikale schijf van vijf (deel 2): Culture Club – Karma Chameleon

Hot news vanuit de BBC: Boy George van de Culture Club denkt 30 jaar na oprichting van de band voorzichtig aan een reünie. Dit prikkelt de secretaris om aan zijn tweede deel van zijn muzikale schijf van vijf te beginnen. Overigens is het een kleine stap van deel 1 (Bow Wow Wow) naar deel 2, want Boy George stond bij die formatie onder het niet al te levensvatbare pseudoniem ‘Leutenant Lush’ kortstondig als leadzanger naast Annabella Lwin. Na zijn snelle vertrek formeerde hij met drie kompanen een eigen (multi-culti) band, Culture Club. Met de drummer, Jon Moss, onderhield de homoseksuele George enige tijd een knipperlichtrelatie.

In 1982 scoorden ze hun eerste flinke hit met het prachtige ‘Do you really want to hurt me’. De secretaris zet echter hun allergrootste succes in het zonnetje: ‘Karma Chameleon’, dat een jaar later in de top 40 de toppositie bereikte, evenals in liefst 15 andere landen wereldwijd. Van Karma Chameleon wordt de secretaris altijd vrolijk: de kleurrijke song reactiveert de inmiddels stroef geworden dansheupen. Het intro en de mondharmonica, gevolgd door de opzwepende reggae-pop beat, maken het tot een klassiek swingnummer.

Jammer dat het met Boy George al gauw de verkeerde kant op ging. De androgyne artiest zocht zijn heil steeds meer in de drugs en zweefde enige keren op de rand van de dood. Even keerde hij nog terug op het podium met een korte solocarriere, maar de laatste twee decennia later vernamen we slechts nog over zijn onfrisse zaakjes. Van de comeback moeten we dan ook maar niet teveel verwachten, zeker ook omdat George zelf uitgaat van een mini-tournee of een enkel concert, afhankelijk van hoe zijn pet (of hoed in zijn geval) staat.

De secretaris liet zich trouwens niet teveel gelegen liggen aan het steeds beroerder wordende imago van Boy George. In het verleden liep hij tijdens een eighties-feest en het carnavalsgedruis verkleed als de leadzanger van de Culture Club tussen de feestgangers, die gelukkig genoeg gedronken hadden om hem van positieve reacties te voorzien.

Secretaris’ muzikale schijf van 5 (deel 1): ‘The man mountain’ van Bow Wow Wow

De schijf van vijf is weer helemaal terug van weggeweest. De secretaris stelt daarom een muzikale variant voor u samen: hij poogt zijn vijf favoriete nummers aller tijden te presenteren. Geen gemakkelijke opgave natuurlijk, en het is maar de vraag of deze intieme selectie een jaar later nog opgeld doet.

Vandaag de willekeurige aftrap met het nummer ‘The man mountain’ uit 1983 van de punk/ new wave band Bow Wow Wow. De secretaris schreef hier een van zijn eerste blogs over, maar nog niet overtuigd door het medium, helaas iets te bescheiden. Bow Wow Wow bestond voor een groot deel uit enkele overgebleven mieren van Adam and the Ants. Nadat de later beroemd geworden Boy George was afgewezen, werd op voorspraak van Malcolm McLaren de in 1966 te Burma geboren tiener Annabella Lwin als zangeres aangesteld.

De secretaris vond -dit keer niet op youtube- een optreden terug uit het legendarische Countdown. Het interview vooraf van een nog jonge Erik de Zwart is erg onbenullig, deels ook veroorzaakt door de overduidelijke desinteresse (of is het bedwelming?) van Lwin en gitarist Matthew Ashman. ‘The Man Mountain’ duurt slechts twee minuten, maar de melodie brengt de secretaris altijd in vervoering. De mysterieuze klanken, de Afrikaanse invloeden, de wazige tekst (leuke bijkomstigheid was dat toendertijd veel muziekprogramma’s ondertitelden) en de exotische en ongrijpbare Lwin: de secretaris trekt al 25 jaar de conclusie dat dit luistergenot steeds veel te kort is. Het nummer kwam als alarmschijf in juli 1983 de top 40 binnen en bereikte de derde plaats (bron: Hitdossier).